Noi amiamo Nederlands

In de Spaanse wijk van Napels waar ik een paar dagen met de dochter was, kwam de Maradona verering tot een hoogtepunt. Overal zag je z’n beeltenis en iedere Napolitaan met een winkeltje, kraampje of gewoon een kleedje in een steegje probeerde een commercieel slagje uit God zelf te slaan. Vooral de shirts die hij had gedragen toen ie met Napoli landskampioen werd, waren populair. Allemaal in een prachtig lichtblauw maar met verschillende sponsors: Buitoni, MSC en Mars.
‘Crackers, cruises en chocola’, zei ik.
‘Leuke titel voor een stukje’, zei de dochter en zo werd onze liefde voor het Nederlands aangemoedigd. In Pompeï zat een dikke kat achter een hek.
‘Een poes in Pompeï’, zei de dochter.
‘Weer een stukje’, zei ik.
We luisterlachten allebei naar ‘We love Nederlands’, de podcast van Tom en Yannick van Rundfunk en bedachten Nederlandse woorden voor de mooie-woorden-lijst van de dochter. Mijn voorstel stoep haalde het niet, stoephoer dan weer wel. En kleddernat, kwispelen en morsdood. Borduren stond er een tijdje op, maar werd er toch weer afgehaald.
Een paar dagen later weer thuis, luisterde ik naar het nieuwe album van StAD. Ex R zong een nummer, interpreteerde ik, over z’n dochter:
Alles wast doe kist en alles was doe bist
is zo zuver prachteg mooi, moar zulst het zulf ooit zain?
Alles wat je kunt en alles wat je bent
is zo puur en prachtig mooi, maar zul je het zelf ooit zien?
Zo eenvoudig was het: het mooist aan dat hele Napels was dat ik daar met haar was.
Tijdens het verske Vattien moal ik weemoedde ik nog wat door – ik maakte me zelf wijs dat het over mij ging omdat het huis waar mijn vader en zijn man hadden gewoond er in voor kwam, maar toen bracht het getal vattien, veertien, me via Cruijff weer terug bij Maradona. En de Spaanse wijk. En de dochter. Met wie ik, terwijl we ons tegoed deden aan echt eten (Napolitaanse pizza) en goede wijn (uit Campania), alvast voor eenmaal weer thuis als de highlights gepost moesten worden op Instagram een caption bedacht: twee NapolitHanen.

Mergpijp

Voordat ik naar de supermarkt ging, keek ik op ons magneetbord om te zien of er nog dringende boodschappen gedaan moesten worden. De hele dag was moeizaam verlopen. Ik was weer eens nergens aan toe gekomen. Ja, de witroodwitte sjaal was een stukje langer gebreid en het boek ‘De bandagist’ wat we voor de boekenclub lezen was bijna uit. Maar ik voelde me nutteloos en te dik en haalde voor de zoveelste keer vervelende herinneringen uit m’n jeugd op. Om mezelf daar vervolgens voor te straffen. Ja, dat weten nu wel, dat gezeur over vroeger!!! Met drie uitroeptekens, ja. En me daarna maar weer te belonen met paaseitjes. Waarom zijn ze zo klein en zitten er strakke wikkels om heen???
Ajax bood ook geen soelaas, er was een hack, een gelijkspel in een oefenwedstrijdje tegen Volendam en de nare nasmaak van mannen in hoodies die afgelopen zondag de A4 op waren gelopen om godbetert de spelersbus uit te zwaaien. Wel had ik nog geprobeerd m’n heil bij Bommerez, een ervaringsdeskundige op het gebied van traumatherapie van wie ik online een loslaat-cursus volg, te zoeken. Les 17 was verhelderend. O, o, o, wat zat ik in de weerstand. In de les die een minuut of tien duurde, was ik daar toch even uit. De ademhalingsoefeningen deden me voelen dat ik verkeerd bezig was. Oh nee, daar was mijn overlevingszelf alweer die niks anders doet dan oordelen. Ik moest op zoek naar m’n diepere zelf die alles laat voor wat het is, zonder te oordelen, maar zich maar moeilijk laat zien.
Genoeg gepsychologiseerd, terug naar het magneetbord. Waar de zoon tussen de muesli en DL mayonaise [dit moet per se van Devos & Lemmens zijn, anders zit man E in de gordijnen], wim kieft had genoteerd. Wim Kieft heeft, zo bleek zowel uit tv-programma ‘Nog één keer fit’ als uit de uiterst vermakelijke KieftJansenEgmondGijp podcast, nog één verslaving: ‘Tegenover mergpijpen ben ik machteloos.’ Zo ook de zoon. Niet van die kleintjes, maar de grote. Hij koopt ze expres niet zelf, anders eet ie ze allemaal achter elkaar op [van wie zou ie dat toch hebben] en verorbert ze alleen in het ouderlijk huis, met een cappuccino erbij. Maar nu waren ze dus op en stond er wim kieft op het magneetbord. Hier kreeg ik meteen een beter humeur van. Op naar de supermarkt om wim kieft te gaan halen. Meteen maar twee pakken. Geen paaseitjes in het mandje, wel olifantenchocola voor de dochter [ook al stond dat niet op de lijst], muesli en Hellmann’s mayo. Toepasselijke naam ook voor wat er zou losbreken als man E thuis kwam. Maar goed, ook hij moest weerstand leren loslaten.

Scipflap

Samen met man E toog ik naar het zuiden. Hij reed door naar Luxemburg voor AI Agents, portfolio management, machine learning en andere zaken, ik bleef halverwege achter in Maastricht. Alwaar in het ziekenhuis nieuwe mogelijkheden waren om die vervloekte lymfoedeem arm te behandelen. Ik had de afsprakenbrief én -mail weggegooid en kon me dus niet met een streepjescode aanmelden bij de daarvoor betreffende zuil. De verpleegkundige achter de balie kon dat wel, verstaan deed ik haar niet. Ze legde me uit waar de wachtkamer was: ‘Es se aon ’t ind vaan de gang rechs drejs en daan weer rechs, kins se dao wachte.’ Dat was weer eens wat anders dan het Friese gebrabbel waar ik bij de halfjaarlijkse controles in het ziekenhuis in Drachten chocola van probeer te maken. De arts-assistent gaf me een slap handje, sprak Nederlands en legde me aan een apparaat dat het verschil in vocht in de linker- en rechterarm kon meten. Om beide enkels en polsen plaatste ze een soort klemmen en toen moest ik drie minuten heel stil liggen. In Friesland moet je beide armen omstebeurt in een bak water doen, waarbij ze de overloop van het water meten. Dit was dus het verschil tussen een streek- en een universitair ziekenhuis. Het ging weer eens om geld. In de ene arm zat bijna 300 ml meer vocht dan in de andere. Een flink glas wijn (twee eigenlijk). Tot zover geen nieuws.
Na de meting spoot de arts-assistent contrastvloeistof in m’n hand en weer even later kon ik op een beeldscherm zien dat geen enkel lymfevat in m’n arm het nog doet. Nog steeds niks nieuws. Mijn arm viel in stadium 4 of 5, maar dat was niet erg. Ik kwam in aanmerking voor een SCIP flap. In goed Engels een Superficial Circumflex Iliac artery Perforator flap. Oftewel ze halen een stuk huid inclusief lymfevaten uit je lies en flappen dat in je oksel. De kans op het nooit meer dragen van een armkous was een derde, op af en toe een kous ook een derde en die laatste derde was voor gewoon nog steeds altijd een kous aan. Ook de kans dat de arm dunner zou worden was een derde. Dit was gelukkig nieuws. Zeker weten dat ik zo’n flap zou laten doen.
Toch moest het ook bezinken. Dat hoort nu eenmaal zo. De dingen moeten verwerkt, een plek krijgen of bezinken. Dus, in de treinreis terug naar Amsterdam begon ik druk te bezinken, tegelijk breiend aan m’n witroodwitte sjaal. Dat ging zo door tot we bij station Lichtstad stopten en ik vol chagrijn dacht: ‘Zij een schaal, ik een sjaal.’
Afgelopen weekend, na het debacle tegen nota bene de FC toen Grim het veld moest ruimen, had ik nog een app gekregen van lampje F: ‘Jullie zijn wel koploper versleten trainers.’ Ik wilde ’m nog een foto sturen van m’n breiwerk met op de achtergrond het bord met de plaatsnaam van het station, maar zette m’n tanden toch maar in een muffin en ging weer verder met bezinken. Dat ging moeizaam. Want hoe doe je dat, een tijdje nadenken over informatie, zodat het tot je doordringt en je een heldere kijk krijgt?
Om het bezinken wat soepeler te laten verlopen én tegelijk het Ajax trauma wat te verdoven, kocht ik op station Amstel een fles wijn. 750 ml zat erin. Anderhalf keer zoveel als in m’n arm. Tweeënhalf glas maar. Net genoeg voor een heldere kijk.

Lethargisch

Ik had net de poep van hond M met het daarvoor dienende zakje opgeraapt toen ik langs de kant van de weg een klusbus zag staan. De deur stond open. Aan de binnenkant had iemand een sticker van Feyenoord geplakt. De bijbehorende klusjesmannen deden iets onnavolgbaars met slangen en buizen en leidingen. Ik bedacht me geen moment, opende het zakje bij de losse knoop en smeerde de poep over de sticker uit. Tja, moet je je ook maar niet in Amsterdam vertonen met zo’n weerzinwekkend logo.
Mensen denken vaak dat alles wat ik in deze stukjes schrijf waar is, of op z’n minst een kern daarvan bezit. Daar vragen ze ook wel eens naar. Maar het is niet relevant. Alles is waar en alles is gelogen. Aangedikt, veranderd, opgepimpt of met behulp van Chat gemaakt of erger. Dat is nou juist de gein. Maar goed, een stukje is wel de laatste plek waar je de eventuele betekenis van een stukje moet gaan uitleggen. Uitleggen, zou je sowieso niet moeten willen.
Op gang komen. Zo had de titel van dit stukje moeten luiden. Omdat ik vond dat ik dat moest. Maar er kwam geen woord. Terwijl, er was zoveel dat op gang moest komen: mijn zoveelste afvalpoging, het nieuwe kabinet, Jordi…
Uitstellen ligt me beter. Lethargisch op de bank hangen en tig afleveringen van Everwood bekijken. Een beetje breien aan m’n witroodwitte sjaal, tegelijk luisterend naar de Branie podcast waar elke week m’n Ajax chagrijn mee wordt gevoed. En ondertussen worden de wandelschoenen niet ontmodderd, de espresso-machine niet ontkalkt, de pagina’s van een boek niet geschreven en vogelhuisjes niet schoongemaakt.
In een podcast met Gijs Groenteman heeft cabaretier Alex Ploeg het ook over lethargie. Niks doen is volgens hem een soort van verslaving waarmee je jezelf kunt uitschakelen. Stel je gaat je kleren opruimen, dan moet je daarna ook de was doen, en de afwasmachine uitruimen, het gras maaien… dus je begint maar nergens aan. Tot iemand tegen ’m zei: ‘Je kunt jezelf ook een dag vrij geven. Dan hoef je niks te doen.’ Dat werkte. Juist omdat ie niks hoefde te doen, ging ie toch wat doen. Mooie mindfuck. Daar trap ik lekker niet in. Alhoewel, dat uitsmeren van die poep heb ik gelukkig niet uitgesteld.

Geboren

‘Daar gaan we weer,’ reageren de zoon en de dochter elk jaar rond eind januari en half juni als ik ze voor de tigste keer het verhaal van hun geboorte ga vertellen. Maar het kan niet anders. Hoe kun je op de verjaardag van je kind nu niet terugdenken aan zijn of haar geboorte? Moeder A doet het na 57 jaar ook nog steeds. Elk jaar hetzelfde lied. Over dat de gordijnen aan de Hoofdweg in Bellingwolde dicht waren. En dat haar ouders langs waren gereden en dat hadden gezien en haar moeder had gedacht dat het nu wel eens zover zou kunnen zijn. Dat ze 14 dagen over tijd was, nog één dag en we hadden naar kraamkliniek Huize Tavenier in Groningen gemoeten en dan was dat mijn geboorteplaats geweest.
Dus, ook ik, elk jaar opnieuw, hetzelfde lied. Dat eind januari de bami van de dag ervoor eruit kwam, dat het vruchtwater op de vloerbedekking stroomde en man E me gauw op het keukenzeil trok, dat hij een boterham met pindakaas ging eten en ik die geur niet kon verdragen. Dat ik dacht aan de golven bij Maspalomas en oma Barbertje en dat zij me er wel doorheen zou slepen. Maar voor- en bovenal aan het jongetje dat helemaal gezond was. En meteen begon te plassen toen ie z’n vader zag.
En half juni gaat hetzelfde lied over de snelheid waarmee alles ging. Aan man E die de klossen nog onder het bed moest schuiven en allerlei kraamverzorgtaken moest uitvoeren, dat ik verkeerd om in bed moest liggen omdat de verloskundige er anders niet goed bij kon, dat ik net de tijd had om aan oma Barbertje te denken en aan het navelstrengetje dat niet goed zat. Maar voor- en bovenal aan het meisje dat helemaal gezond was. Maar niet meteen gekust kon worden door haar vader omdat ie een koortslip had.
Ja, hoe kun je daar nu niet elk jaar opnieuw bij stilstaan? Vanavond als we met z’n vieren uit eten gaan, ga ik het er voor de 23e keer over hebben. Dan kijk ik vol verwondering naar de zoon. Een jonge man. Berekenend en vol vertrouwen.
En half juni als we met z’n vieren in een restaurant zitten, doe ik het voor de 21e keer. Dan kijk ik vol verwondering naar de dochter. Een jonge vrouw. Eigenzinnig en vol overtuiging.
Mocht mijn ideale toekomstbeeld uitkomen, dan weet ik zeker wat de kleinkinderen zullen zeggen als hun vader of moeder het verhaal van ‘toen ze werden geboren’ vertellen: ‘Daar gaan we weer.’