Alle belangrijke vrouwen in mijn leven zijn in juni jarig. Gisteren puberdochter, vandaag mijn moeder en een dikke week geleden oma Barbertje. Een oma, een moeder, een vrouw die alleen maar luisterde. Mij altijd opving en nog vaker begreep. En al haar meningen voor zich hield. Ze zei ‘Hai hai kind toch’, als ik het moeilijk had en ‘Even deurzetten’ als het echt niet anders kon.
Mijn moeder met wie ik het hardst in mijn broek kan plassen van het lachen is het tegenovergestelde verhaal. Zij is het levend bewijs dat het ook anders kan. Maar of het werkt?
Van puberdochter valt het meest te leren. Op haar verjaardag ging ze bij haar beste vriendin die in het ziekenhuis ligt op bezoek om het te vieren. Ze kwam lachend thuis en keek mij niet begrijpend aan toen ik bezorgd vroeg hoe het was geweest. ‘Dûh, superleuk natuurlijk’, zei ze en dook achter de iPad. Of ze nu samen thuis in een puberkamer hangen of op een ziekenhuisbed chillen, het maakt haar niet uit. Ik weet niet of ze het ooit wil of kan worden, maar wat een moeder zal zij zijn.
In boekenland maken schrijvers zich boos over het thema van de Boekenweek van volgend jaar: De moeder de vrouw. ‘Waarom wordt de vrouw geïdentificeerd met de moeder en niet met bijvoorbeeld de huisarts of de postbode?’ vragen bijna 300 schrijvers zich af.
Ik vraag mij af waarom niet.