Ik heb mama wel eens gevraagd of ik nog een gezonde broer of zus kon krijgen. Al was het alleen maar om daar ruzie mee te maken of de baas over te spelen. Ik probeer dat wel bij Bart, dan gris ik bijvoorbeeld snel het grootste stuk taart voor zijn neus weg als we een verjaardagsfeestje hebben. Maar dat ziet hij niet eens. Oma Barbertje, die ook op de verjaardag is, ziet het wel, zij ziet sowieso alles. Ze houdt haar mond in een piepklein lachje, daaraan kan ik zien dat zij het ook heeft gezien.
Ik moet ineens denken aan de manier waarop ze haar haar kamt. Ze doet dat aan de eetkamertafel met haar ogen dicht. Ze haalt een kastanjekleurige kam waarvan de tanden aan de ene kant veel dichter bij elkaar staan dan aan de andere kant, met gramietege bewegingen die helemaal niet passen bij de lieve vrouw die ze is, door haar permanent. Ik vraag haar weleens of ze haar ogen open wil laten, maar hoe hard ze ook probeert, bij elke kambeweging gaan ze automatisch dicht. Alsof ze zichzelf niet wil zien in een spiegel die er niet is.
Ook in bad probeer ik Bart wel eens boos te krijgen. Doordeweeks en in het ene weekend poedel ik er alleen in, maar in het andere weekend klotsen we samen. Als ik het kleine oranje visje waar water uitkomt als je erin knijpt van hem afpak, geeft hij me ook nog het paarse badeendje en zegt lachend: ‘Paarse cassis-kleur voor Maaike.’ Dat is ook nog een heel verhaal, Bart en zijn kleuren, maar dat komt nog wel een keer.
Gooi ik per ongeluk expres zijn boterham met hagelslag op de grond en roep ik ‘Kijk mam, wat Bart heeft gedaan’, dan lacht hij gewoon en zegt mama dat ik motblik en veger uit het aanrechtkastje moet pakken.
Nou ja, die gezonde broer of zus, die is er niet gekomen. Ik zou een keer ruzie kunnen maken met mijn beste vriendin Lotte, of met papa of mama, maar dat durf ik niet. Misschien moet ik juist blij zijn dat ik geen ruzie kan maken. De meeste mensen willen toch vrede? Tenminste, daar zingen ze in de kerk altijd over.
Maand: december 2018
Aardappelenvleesengroente
Zaterdagavond is onze gezinsavond. ’s Avonds eten we Chinees, wat we bij Golden City in de Torenstraat in Winschoten halen. Na de babi pangang krijg ik cassis, Bart ook als het zijn thuisweekend is. En een plastic bakje vol chips en rozijntjes die we voor de televisie opeten. Bart geeft de rozijntjes die er een beetje anders uitzien altijd aan mij. Dat is ook wel zo eerlijk, want zijn bakje is het grootst.
Zondag vind ik ook een fijne dag. Als we ’s ochtends uit de kerk komen, mag ik met mijn handen een tompouce eten – volgens mij is dat het enige gebakje waar je niet dik van wordt – en daarna komt de kip op tafel. Ik krijg een vleugel, die wil ik ook het liefst en een schep zelfgemaakte appelmoes. Het is helemaal feest als Bart niet thuis is en oom Hein dienst heeft op de boerderij. Dan doet papa de la van de spelletjeskast open en mag ik kiezen: Rummikub, MasterMind of Pim Pam Pet. Ik zou het liefst alleen maar Pim Pam Pet spelen, omdat ik heel veel weet, maar ik kies elke keer een ander spel omdat mijn vader op een zondag ‘Alweer Pim Pam Pet?’ heeft gezegd. Van mijn zakgeld heb ik een notitieboekje gekocht, waarin ik precies bijhoud welk spelletje er die zondag aan de beurt is.
Door de week is alles anders, dan eet ik meestal alleen met papa. Dat kan niet anders, want hij wil om 12 uur aardappelenvleesengroente eten, dat willen alle boeren, en mama is dan aan het lesgeven en kan dus niet koken. Papa pikt mij in de pauze bij het schoolplein op en samen rijden we in de chocoladebruine Chevrolet Nova vierhonderd meter verderop naar ‘De Twee Karspelen’, het enige hotel-café-restaurant van ons dorp. Mama heeft geregeld dat we daar elke dag dat zij voor de klas staat, met de pot van de eigenaar en zijn gezin kunnen mee-eten. Zo zit ik drie of vier keer in de week met mijn vader aan een vierpersoonstafel in een restaurant, al naar gelang mijn moeders lesrooster. Al naar gelang, dat zijn veel te volwassen woorden voor een kind, maar ik vind ze deftig klinken.
De vrouw van de eigenaar schept iedere keer te veel jus op mijn bord. Maar nog erger is dat ze het toetje, gele vla uit een fles – behalve op vrijdag dan krijgen we Saroma pudding met frambozensmaak – in hetzelfde bord schenkt.
‘Of ik misschien een schaaltje mag?’ vraag ik haar als ze de fles vla weer eens boven mijn bord houdt.
‘’n Bakje? Dat is alleen voor hotelgasten’, antwoordt ze en giet de vla middenin de plas jus die ik heb laten staan.
Kikkers van fondant
Toen ik in 5-vwo zat, viel Pakjesavond samen met een van de uitgaansavonden van mijn ouders. Ik zat apathisch naar mijn huiswerk te staren, toen mijn moeder haar hoofd om de slaapkamerdeur stak.
‘We zijn een beetje laat, maar we gaan nu. Veel plezier Maaike en straks lekker slapen.’ Mijn moeder keek me net te lang aan.
Ik koekeloerde weer naar mijn wiskundeboek, iets met toevalsvariabelen. Van het woord alleen al werd ik krankzinnig. Maar wiskunde was belangrijk, het zou mijn hele leven van pas komen. En wiskunde, benadrukten mijn ouders en zij konden het weten, was een universele taal, die iedereen altijd en overal verstond. En dus zat het in mijn alfa pretpakket. Kon ik volgend jaar, als ik een universitaire studie ging kiezen – bij voorkeur in de Randstad, drongen mijn ouders aan, dan werd ik wat weerbaarder – nog alle kanten op. Maar voor mij bestond er maar één stad: Groningen. En maar één studie: Nederlands en dan overstappen op Journalistiek. Mocht ik zoveel vragen stellen als ik maar wilde. Daar was niks toevalligs aan. En al helemaal niks variabels.
Ik raffelde de som af. Morgen zou ik het meneer Roest vragen. Mijn bijlesleraar die in Blijham woonde, in de vreemde bocht vlak voor de Hervormde Kerk en een expert in kansrekening was. Met een klap gooide ik mijn wiskundeboek dicht en liep de woonkamer in. Op de eettafel lagen twee pakjes en een briefje met mijn naam erop.
Lieve Maaike,
Dat had je vast en zeker niet verwacht,
dat de Sint jou, ook al ben je al 16, toch nog cadeautjes bracht.
Eentje voor jezelf en eentje voor de gein,
pak een pen of Peter en ga gewoon gelukkig zijn.
De Sint denkt wel eens dat je bang voor het leven bent,
dat je dingen niet goed durft als je ze niet kent.
Maar je moet zelf je eigen fouten maken,
dat schreeuwen ook de Pieten van de daken.
Je bent een zelfstandige, dappere meid die veel hebben kan
en daar houdt de Sint zielsveel van.
De Sint
Ik maakte eerst het grootste pakje open, het was een groen dagboekje in exact het juiste formaat, met een harde kaft en lijntjes met precies de goede regelafstand. Ik peuterde wat aan het plakband van het tweede cadeautje en voor ik het wist zat ik met een pakje condooms in mijn handen. Beteuterd en blij tegelijk belde ik Peter, die bulderend van het lachen opnam. Hij was net bezig met een gedicht van zijn broer en kon ook de humor van de condooms wel in zien. Dat ik alleen thuis was vond hij gek. Ik wilde het gedicht nog aan hem voor lezen, maar hij zei: ‘Ik zie je morgen weer, Maai-Maai, ze zitten hier op me te wachten. En vergeet de condooms niet mee te nemen.’
De volgende dag, na school, na wiskundebijles, fietste ik in de schemer van Blijham over de Turfweg naar Peters grote gele huis. Zijn moeder had alle cadeaus van de avond ervoor weer ingepakt, de gedichten erop geplakt, her en der uit hun huis dingen gezocht die ik misschien leuk zou vinden, op de valreep nog wat bij Winkelcentrum De Helling gehaald, mooi papier eromheen gedaan en haar man en twee zoons opgedragen om ook voor mij nog een gedicht te schrijven. Ze gingen de hele Sinterklaasavond opnieuw doen. Met warme chocolademelk en een schaal vol pepernoten, borstplaat en kikkers van fondant.