Toen ik in 5-vwo zat, viel Pakjesavond samen met een van de uitgaansavonden van mijn ouders. Ik zat apathisch naar mijn huiswerk te staren, toen mijn moeder haar hoofd om de slaapkamerdeur stak.
‘We zijn een beetje laat, maar we gaan nu. Veel plezier Maaike en straks lekker slapen.’ Mijn moeder keek me net te lang aan.
Ik koekeloerde weer naar mijn wiskundeboek, iets met toevalsvariabelen. Van het woord alleen al werd ik krankzinnig. Maar wiskunde was belangrijk, het zou mijn hele leven van pas komen. En wiskunde, benadrukten mijn ouders en zij konden het weten, was een universele taal, die iedereen altijd en overal verstond. En dus zat het in mijn alfa pretpakket. Kon ik volgend jaar, als ik een universitaire studie ging kiezen – bij voorkeur in de Randstad, drongen mijn ouders aan, dan werd ik wat weerbaarder – nog alle kanten op. Maar voor mij bestond er maar één stad: Groningen. En maar één studie: Nederlands en dan overstappen op Journalistiek. Mocht ik zoveel vragen stellen als ik maar wilde. Daar was niks toevalligs aan. En al helemaal niks variabels.
Ik raffelde de som af. Morgen zou ik het meneer Roest vragen. Mijn bijlesleraar die in Blijham woonde, in de vreemde bocht vlak voor de Hervormde Kerk en een expert in kansrekening was. Met een klap gooide ik mijn wiskundeboek dicht en liep de woonkamer in. Op de eettafel lagen twee pakjes en een briefje met mijn naam erop.
Lieve Maaike,
Dat had je vast en zeker niet verwacht,
dat de Sint jou, ook al ben je al 16, toch nog cadeautjes bracht.
Eentje voor jezelf en eentje voor de gein,
pak een pen of Peter en ga gewoon gelukkig zijn.
De Sint denkt wel eens dat je bang voor het leven bent,
dat je dingen niet goed durft als je ze niet kent.
Maar je moet zelf je eigen fouten maken,
dat schreeuwen ook de Pieten van de daken.
Je bent een zelfstandige, dappere meid die veel hebben kan
en daar houdt de Sint zielsveel van.
De Sint
Ik maakte eerst het grootste pakje open, het was een groen dagboekje in exact het juiste formaat, met een harde kaft en lijntjes met precies de goede regelafstand. Ik peuterde wat aan het plakband van het tweede cadeautje en voor ik het wist zat ik met een pakje condooms in mijn handen. Beteuterd en blij tegelijk belde ik Peter, die bulderend van het lachen opnam. Hij was net bezig met een gedicht van zijn broer en kon ook de humor van de condooms wel in zien. Dat ik alleen thuis was vond hij gek. Ik wilde het gedicht nog aan hem voor lezen, maar hij zei: ‘Ik zie je morgen weer, Maai-Maai, ze zitten hier op me te wachten. En vergeet de condooms niet mee te nemen.’
De volgende dag, na school, na wiskundebijles, fietste ik in de schemer van Blijham over de Turfweg naar Peters grote gele huis. Zijn moeder had alle cadeaus van de avond ervoor weer ingepakt, de gedichten erop geplakt, her en der uit hun huis dingen gezocht die ik misschien leuk zou vinden, op de valreep nog wat bij Winkelcentrum De Helling gehaald, mooi papier eromheen gedaan en haar man en twee zoons opgedragen om ook voor mij nog een gedicht te schrijven. Ze gingen de hele Sinterklaasavond opnieuw doen. Met warme chocolademelk en een schaal vol pepernoten, borstplaat en kikkers van fondant.