Broodje poep

Zie ons zitten, samen op de bank, voor de televisie. Korte, natte haren. Bart in een groene pyjama van badstof en ik in een rode nachtpon met een appel met een hap eruit. Allebei dikke gebreide sokken van oma aan die niet kietelen en een Tupperware bakje met paprikachips en rozijntjes op schoot. St, het begint.
‘Luister even wat ik roep,’ zingt Ome Willem.
‘Nee, nee,’ zegt Bart.
‘Lust jij ook een broodje…’ gaat Ome Willem verder.
‘Mag niet.’ Bart slaat lachend beide handen voor zijn mond.
‘Poep!’ roep ik zo hard als ik kan.
We proesten het uit. Maar Bart kan niet tegelijk hard lachen en een bakje vasthouden. Dus het bakje valt en hij houdt direct op met lachen. Ik raap alle chipjes en rozijntjes van de vloerbedekking en stop ze terug. Met twee handen pakt Bart het bakje aan. Dan grijnst hij naar mij, tuurt een tijdje naar een van de rozijntjes en besluit dat ie anders is. Ik mag ’m hebben.
‘Met een papje, met een papje!’

Gewoon doen

Bart lacht naar mensen die hij aardig vindt. En als ze stom zijn, kijkt hij ze niet eens aan. Komt hij op straat een gehandicapte tegen, dan roept hij heel hard ‘Handicap!’ en wijst vrolijk naar de persoon die iets mankeert. Ook durft hij gewoon grapjes te maken over mensen waar ‘iets mee is’. Over Berend bijvoorbeeld. Berend is de vakkenvuller van de Spar, de supermarkt helemaal achterin ons dorp aan het einde van de Hoofdweg, nog veel verder dan waar opa en oma wonen.
Oma Barbertje zegt dat Berend niet een van de snuggersten is. En dat hij daarom zijn dagen vult met het sorteren van pakjes Knorr-soep, het stapelen van rollen Komo vuilniszakken en het uitpakken van verschillende smaken Saroma pudding. ‘Alleen even kloppen met koude melk’, lekker praktisch vinden de Bellingwolder plattelandsvrouwen dat. Tot groot verdriet van oma die haar pudding zelf kookt van verse melk, eieren, maïzena, rietsuiker en een vanillestokje. Op oma’s pudding drijft altijd een vel en op Saroma nooit, maar dat zeg ik maar niet tegen haar.
Mama is ook niet echt een fan van Berend.
‘De schappen van de buurtsuper zien er door Berends toewijding altijd strak uit,’ zegt ze, ‘maar met zijn eigen hygiëne neemt hij het minder nauw.’
Op een dag na het boodschappen doen, Bart en ik kregen net een amandelring van papa voordat hij ging melken, kwam ze zuchtend de keuken binnen. Twee boodschappentassen in één hand.
‘Ik kon de Aromat niet vinden en moest het Berend wel vragen. Man, man, wat stinkt dei vent.’ Ze had haar wenkbrauwen opgetrokken toen ze het lege pak amandelringen op het aanrecht zag. Toen Bart en ik de keer daarop met mijn moeder meegingen naar de Spar – ‘Als jullie al die amandelringen zo snel opeten, dan ga je ook maar mee om ze te kopen’, had mama tegen mij gezegd –  vroeg Bart aan Berend of hij ook een douche had.
Zo makkelijk kan het dus zijn. Als iemand stinkt, dan vraag je of hij een douche heeft. Is meester Milner boos op mij, omdat ik me bij schaakles direct herdersmat laat zetten, dan vraag ik gewoon welke zetten beter waren geweest. En als mijn allerbeste vriendin Lotte ineens met een ander meisje gaat spelen, vraag ik gewoon of ik ook mee mag doen.

Ongelukje

Bart en ik schelen maar anderhalf jaar. Dat hebben papa en mama expres zo gepland. Dan zouden ze snel uit de luiers zijn. Ik ben niet expres, ik ben een ongelukje. Gisteren ben ik elf geworden en aan de manier waarop mama aan het aanrecht staat en een appel voor mij in vieren snijdt, kan ik zien dat ze het verhaal van het ongelukje gaat vertellen. Dat doet ze elk jaar rond mijn verjaardag. Ik vind de schil niet lekker, maar direct onder de schil zitten de meeste vitaminen en dat is belangrijk. Mama komt ook aan de eetkamertafel zitten en schuift de stapel wiskundeproefwerken van haar leerlingen naar zich toe.
‘Maaike, jij was eigenlijk niet de bedoeling. Tonko en ik, we waren net getrouwd en we wilden eerst nog flink van onze vrijheid genieten. Hij stopte al z’n energie in de boerderij en ik was net begonnen met mijn studie wiskunde bij de Leidse Onderwijs Instellingen. Kinderen, daar waren we nog niet aan toe. Maar ja, we waren jong. Onhandig ook. We gingen voor het zingen de kerk uit. Weet je wat dat is?’
Ze klikt een paar keer met haar rode balpen. Ik haal mijn vingers door mijn korte haar en knik hard van ja. De eerste keer dat ze me het verhaal vertelde had ik nee geschud en toen had ze me uitgelegd wat dat dan precies was, voor het zingen de kerk uitgaan. Piemel, klaarkomen, sperma… de griezelige woorden hadden zich vastgeklonken in mijn hoofd.
‘Echt betrouwbaar was zo’n kerkdienst niet.’
Ze geeft me een knipoog en krast met een rode pen een som door. Terwijl ik een torentje bouw van de stukjes appel, probeer ik aan een echte kerkdienst te denken. De pepermuntjes van oma Barbertje, de kindernevendienst waar ik altijd een stuk uit de bijbel mag voorlezen omdat ik dat zonder haperen kan, het zachte zachte fluweel van de collectezak… Telkens als ik het laatste partje bovenop wil leggen, stort het bouwwerkje in.
‘Maar we zijn hartstikke blij met je Maaike, natúúrlijk. Ik heb geen kind aan je. Zoveel makkelijker dan Bart.’
Ik krijg een warm gevoel in mijn buik, een makkelijk kind, dat is wat ik wil zijn. Kan Bart mooi de moeilijke zijn. Ik eet een stukje appel en bouw van de rest een toren. Zie je wel, het moet gewoon niet zo hoog. Mijn moeder is alweer aan het strepen in de proefwerken. Met een zucht schrijft ze een cijfer in het vakje rechtsboven naast de naam van de leerling. Een vier min voor Edzo Schortinghuis.

Gehandicapt, gay en gelukkig

We hebben afgesproken in de stad, mijn vader, Johan, Bart en ik. Op het terras van gay-café El Rubio zit ik te wachten. Aan een tafeltje tegen de gevel van het café, met net genoeg zon voor ons allemaal. Halverwege de Zwanestraat zie ik ze aankomen, Bart tussen mijn vader en Johan in, handenwringend en grijnzend als hij het café in z’n vizier krijgt.
‘Ha broer,’ zeg ik.
Hij lacht terug en loopt zo snel hij kan de trap op naar binnen, naar de bar. Daar wil hij zitten. Daar wil hij altijd zitten. Mijn vader loopt hem achterna. Om hem een barkruk op te helpen. Om hem niet uit het oog te verliezen. Johan twijfelt, binnen-buiten, buiten-binnen.
‘Kom,’ zeg ik, ‘wij gaan ook naar binnen.’
Als een koning zit Bart aan de bar, mijn vader naast hem. Johan wurmt zich ook op een kruk. Ik begroet mijn vader en doe alsof dit alles heel normaal is. In nog geen jaar tijd ben ik op kamers gegaan, is mijn moeder verliefd geworden op een vrouw en woont mijn vader samen met een man. Nog mazzel dat Bart gewoon gehandicapt is gebleven.
‘Cola én cassis,’ joelt hij, als de barkeeper hem met een knipoog vraagt wat hij wil drinken.
‘Maaike bier,’ kiest hij voor mij.
Het pilsje staat nog niet voor me of Bart roept al: ‘Schuim doen! Schuim doen!’
Ik dompel m’n kin in het glas en kom langzaam met een witte schuimbaard naar boven. Bart glundert en slaat met twee handen op z’n knieën – hij glijdt bijna van z’n kruk.
Af en toe loert een van de mannen aan de overkant van de bar naar Bart. Hij lacht vrolijk terug en mijn vader slaat een arm om hem heen. Zou Bart ook gay zijn, vraag ik me af. Dan ben ik echt het zwarte schaap van het gezin.
Als de cola en de cassis op zijn, pulkt Bart z’n portemonnee uit z’n broekzak – hij krijgt iedere week zakgeld van de leiding – en zegt ‘Betalen’ tegen de barman. Hij kijkt naar de rekening, roept ‘Duur!’ en legt twee grote munten op de bar. Hoe groter de munten zijn, hoe meer geld het is. Briefgeld, daar ziet hij de waarde niet van in.
Terwijl mijn vader nog een keer afrekent, trekt Bart zijn jas aan. Hij houdt de jas voor zich open, steekt kruislings z’n armen in de mouwen en gooit dan de jas over z’n hoofd op z’n rug. Dan draait hij z’n armen weer recht en zit de jas als gegoten. Ik hoop dat de sjansende man het heeft gezien.
‘Saté, Soestdijk,’ roept Bart naar ons. Wij gooien de laatste teugen achterover en vertrekken naar het honderd meter verderop gelegen restaurant in de Kromme Elleboog waar de eigenaar ons enthousiast verwelkomt.