Gehandicapt, gay en gelukkig

We hebben afgesproken in de stad, mijn vader, Johan, Bart en ik. Op het terras van gay-café El Rubio zit ik te wachten. Aan een tafeltje tegen de gevel van het café, met net genoeg zon voor ons allemaal. Halverwege de Zwanestraat zie ik ze aankomen, Bart tussen mijn vader en Johan in, handenwringend en grijnzend als hij het café in z’n vizier krijgt.
‘Ha broer,’ zeg ik.
Hij lacht terug en loopt zo snel hij kan de trap op naar binnen, naar de bar. Daar wil hij zitten. Daar wil hij altijd zitten. Mijn vader loopt hem achterna. Om hem een barkruk op te helpen. Om hem niet uit het oog te verliezen. Johan twijfelt, binnen-buiten, buiten-binnen.
‘Kom,’ zeg ik, ‘wij gaan ook naar binnen.’
Als een koning zit Bart aan de bar, mijn vader naast hem. Johan wurmt zich ook op een kruk. Ik begroet mijn vader en doe alsof dit alles heel normaal is. In nog geen jaar tijd ben ik op kamers gegaan, is mijn moeder verliefd geworden op een vrouw en woont mijn vader samen met een man. Nog mazzel dat Bart gewoon gehandicapt is gebleven.
‘Cola én cassis,’ joelt hij, als de barkeeper hem met een knipoog vraagt wat hij wil drinken.
‘Maaike bier,’ kiest hij voor mij.
Het pilsje staat nog niet voor me of Bart roept al: ‘Schuim doen! Schuim doen!’
Ik dompel m’n kin in het glas en kom langzaam met een witte schuimbaard naar boven. Bart glundert en slaat met twee handen op z’n knieën – hij glijdt bijna van z’n kruk.
Af en toe loert een van de mannen aan de overkant van de bar naar Bart. Hij lacht vrolijk terug en mijn vader slaat een arm om hem heen. Zou Bart ook gay zijn, vraag ik me af. Dan ben ik echt het zwarte schaap van het gezin.
Als de cola en de cassis op zijn, pulkt Bart z’n portemonnee uit z’n broekzak – hij krijgt iedere week zakgeld van de leiding – en zegt ‘Betalen’ tegen de barman. Hij kijkt naar de rekening, roept ‘Duur!’ en legt twee grote munten op de bar. Hoe groter de munten zijn, hoe meer geld het is. Briefgeld, daar ziet hij de waarde niet van in.
Terwijl mijn vader nog een keer afrekent, trekt Bart zijn jas aan. Hij houdt de jas voor zich open, steekt kruislings z’n armen in de mouwen en gooit dan de jas over z’n hoofd op z’n rug. Dan draait hij z’n armen weer recht en zit de jas als gegoten. Ik hoop dat de sjansende man het heeft gezien.
‘Saté, Soestdijk,’ roept Bart naar ons. Wij gooien de laatste teugen achterover en vertrekken naar het honderd meter verderop gelegen restaurant in de Kromme Elleboog waar de eigenaar ons enthousiast verwelkomt.

Plaats een reactie