Met de wijzers in de weer

Dat hij in zijn laatste dagen zit, dat idee heeft hij. Op zijn vaste bankje in het park, met uitzicht op ontluikend geel-paars-wit, haalt de oude man een leren etui en een doosje lucifers uit zijn binnenzak. Mijn vaste dagelijkse pretje, denkt hij bij zichzelf en trekt aan de sigaar totdat de punt flink gloeit. Wie weet heeft hij van alles onder de leden, wie weet ook niet. Maar nu, hier, in de eerste zonnestralen van het jaar die z’n oude botten opwarmen, is alles goed. Langzaam blaast hij een wolk rook uit. Zijn hond, die hij Focus heeft genoemd om hem eraan te herinneren wat belangrijk is, ligt een eindje verderop aan een tak te kluiven. Zodra hij de tabak ruikt, komt hij aangekwispeld en vlijt zich tussen de twee voeten van de oude baas. Een van z’n lange oren valt over de veters.
De dagen worden langer, mijmert de oude man, dat gedoe met de klok komt er weer aan. Misschien is het wel de laatste keer dat ik met de wijzers in de weer moet.
Vroeger, toen was hij daar niet mee bezig, met de tijd. Al die dagen die hij beleefd heeft, verslonden, verspild en verdrongen, ze zijn allemaal oud. Ineens komt er een Groningse uitdrukking bij hem boven: ’n Olle van doagen. Ja, dat ben ik, herhaalt hij naar niemand in het bijzonder, ik bin ’n olle van doagen.
De hond staat op, omdat hij een bal in het vizier heeft gekregen. Hij zet een paar stappen, maar bedenkt zich en gaat weer bij de baas liggen.
De oude man blaast nog eens diep uit. Traag waait de wolk een kale trompetboom in en lost op tussen de takken. Oud, ja dat is hij zeker, maar der dagen zat? Nee, dat is hij alleszins niet. Laat ze maar komen die dagen, glimlacht hij, pretjes heeft hij nog genoeg.

Geen sjoege

Ze zal vast ergens zijn, het meisje, het dappere meisje met de blauwe pretoogjes. Het meisje dat van knutselen houdt, van honden, van melig doen met vriendinnen en van rustig aan. Heeft ze zichzelf verstopt in een zee van knuffels? Is ze meegevoerd door een allesverslindende draak? Is ze, licht als ze is, opgelost in een mist die met één veeg de horizon kan uitgummen?
De ratio doet z’n uiterste best haar op te sporen. En komt aan met strakke schema’s, strenge regels. Vanuit haar schuilplaats bestudeert het meisje het dikke draaiboek. Er staan best logische dingen in vindt ze, maar ze is te koppig om zich eraan te houden.
Ook de liefde blijft zoeken. Ook al zijn de plekken verkeerd, de momenten misplaatst en de manier waarop overhaast. De liefde is bang dat ze het meisje kwijtraakt. Bang voor de draak, voor de mist, ja misschien vreest de liefde zelfs de liefde.
Niemand, ook haar familie niet, kan haar écht vinden. Wanhopig schuimen al haar dierbaren de verstopplekken af. Ze geven alles wat ze hebben, maar het meisje geeft geen sjoege. Af en toe en echt maar voor heel even, denken ze een glimp van haar op te vangen. Maar ze hoeven maar iets te lang, iets te veel, iets te hard… of het meisje vlindert vrijwel onzichtbaar haar geheime fort weer in.
Toch fluistert het allerbinnenste binnen van het meisje dat ze gevonden wil worden. Maar hoe dan? Hoe dan? Hoe? Als de mensen die van haar houden haar durven loslaten? Als haar zelfgebouwde fort afbrokkelt? Of moet ze eerst zichzelf ontdekken? Erachter komen dat ze prachtige pretogen heeft. Dat haar vriendinnen gek op haar zijn, omdat ze zulke flauwe grappen maakt. Haar ouders van haar houden, enkel en alleen omdat er van haar maar één is. Dat ze van top tot teen echt helemaal oké is.
Als ze de liefde maar zou durven toelaten, zou ze zichzelf kunnen laten zien aan iedereen die er oog voor zou hebben.

Natte onderbroek

Tim Fransen, cabaretier en filosoof, is naar de apotheek gegaan en heeft een stapel folders met kwalen uit het rek gehaald. Als ik bij hem in het theater zit, haalt hij ze tevoorschijn. De eerste flyer gaat over ongewenst urineverlies. Eén op de vier vrouwen boven de 35 en één op de acht mannen heeft daar last van. Er zitten ongeveer 500 mensen in de zaal, gezien de jonge gemiddelde leeftijd, zouden dat dan, berekent Tim, zo’n vijftig mensen zijn.
‘Wie o wie?’ vraagt hij en wappert met de folder in de lucht. Eén vrouw steekt voorzichtig haar hand op, het is te donker om te zien wie het is. Ik krijg het benauwd. Begin te schuifelen op mijn stoel.
De tweede folder gaat over aambeien en andere anale klachten, ook hier weer Tims vraag: ‘Wie?’ Volgens de statistieken kampt één op de vijf Nederlanders ermee en dan vooral mensen boven de vijftig. Daarvan zitten er tientallen in de zaal, maar wederom steekt maar één vrouw haar hand op en nee het is niet diegene met de natte onderbroek. Tim zegt dat hij beide vrouwen erg dapper vindt. En ik krijg buikpijn omdat ik grappen schrijf over dappere mensen, maar zelf niet dapper durf te zijn, omdat ik bang ben dat mensen anders grappen over mij maken.
Inmiddels hangt er boven de zaal een loodzware deken, of in ieder geval boven stoel 16 rij 9. Daar zit ik. En ja hoor, de volgende folder gaat over antidepressiva, maar liefst 1 miljoen Nederlanders slikken elke dag pillen om zich beter te voelen, maar in de Kleine Komedie voelt iedereen zich prima van zichzelf. Er gaat geen enkele hand omhoog. Tim houdt nog een filosofische verhandeling over verhullen en dat dat mens eigen is, maar mijn hart bonkt te hard om dat allemaal op te nemen.
Op de fiets terug, de nacht is koud en helder en de Amstel schijnt blauw op, vraag ik mij de dingen af. Waarom heb ik mijn hand niet opgestoken? Heb ik spijt? Waarom durf ik niet hardop zeggen, dat ik pillen nodig heb om te kunnen functioneren? Ik ben niet gek, ik schaam me. Terwijl ik van één ding heilig overtuigd ben, zoals schrijver Andrew Solomon zegt: ‘When we are ashamed, we can’t tell our stories. And stories are the foundation of our identity.’
Een paar dagen later zit ik met mijn moeder bij Loetje biefstuk met een plas boterjus te eten. Ze is blij dat ik de laatste tijd zo goed in mijn vel zit.
‘Als ik je bel’, zegt ze, ‘kan ik aan je stem horen, hoe het met je gaat.’
‘Wat hoor je dan?’
‘Ja, sinds je die pillen slikt, slis je veel meer.’
‘Sllliisssttt? Zoiets?’
Ze lacht. Ik lach harder. Samen lachen we om het hardst. En verslikken ons tijdens het eten in geslis. Van een normaal gesprek is geen sprake meer. Eenmaal thuis staat de app vol met sllliisssttt-geluidsfragmenten. En krijg ik ook nog een natte onderbroek.

Grimmig sprookje

Er was eens meisje dat Winnie heette. Misschien was Verliesie een betere naam geweest, maar achteraf is het altijd makkelijk praten. Het meisje werd geboren in een rijke, vooraanstaande familie, in een statig pand met een dubbele voordeur. Haar vader was zo blij dat hij na vier zonen toch nog een dochter kreeg, dat hij haar reuze verwende. Hij nam haar mee in de automobiel naar de winkelstraat in de grote stad en kocht jurkjes met ruches en stolaatjes van bont voor zijn liefste prinses.
Als eerste meisje van haar familie ging ze naar het gymnasium, daar bleef ze wel een keertje zitten, maar daar deed niemand moeilijk over. Verkering had ze ook af en toe, met echt leuke jongens daar niet van, eentje wilde zich zelfs maar wat graag met haar verloven, maar de prins op het witte paard zat er niet tussen. Tot er een knappe boerenzoon met een dikke bos krullen langskwam, die haar om verkering vroeg. Ze trouwden, ze ging op zijn boerderij in een schilderachtig dorpje wonen en al snel werden er een dochtertje en een zoontje geboren waar Winnie, inmiddels een jonge vrouw, het maar druk mee had.
Jaren ging alles goed, de kinderen zaten netjes op het vwo en de boerderij liep voorspoedig, maar toen kwam de ziekte langs. Een borst eraf en bestraling als toetje. Winnie kwam er weer bovenop en wist meteen: ‘Ja, zo zit het leven dus in elkaar.’
Haar haar werd grijs, de rimpels in haar voorhoofd dieper, de boerderij werd verkocht en samen met de boerenzoon, ondanks zijn inmiddels kale kop nog steeds een knapperd, verhuisde Winnie naar een praktisch appartement met uitzicht op een kaarsrecht kanaal. Er kwam een kleinzoon, drie kleindochters en tja, zoals dat gaat in het echte leven, het kon niet al te lang feest zijn. De ziekte diende zich weer aan. De andere borst eraf, geen toetje deze keer gelukkig. Winnie kwam er weer bovenop. Ze werd nog ouder en nog taaier. En wist nog beter hoe het echte leven in elkaar zat.
Toen bleek dat ze een groot risico liep om de ziekte opnieuw te krijgen, kon ze dat er ook nog wel bij hebben. Diep zuchtend, dat wel. Voor de zekerheid liet ze al haar vrouwelijke organen weghalen en leefde verder. Alsof ze onkruid was, wat niet kon vergaan. Ze verging ook niet. Zelfs niet toen de ziekte tegen alle regels van de logica in, zich toch in haar weggehaalde lichaamsdelen had genesteld. En toen? Niemand die het weet.
Het is nu vooraf en vooraf is het moeilijk praten. Of Winnie nog lang en gelukkig zal leven, wie zal het zeggen? Eén ding is zeker: haar ouders hebben haar precies de juiste naam gegeven.