Tim Fransen, cabaretier en filosoof, is naar de apotheek gegaan en heeft een stapel folders met kwalen uit het rek gehaald. Als ik bij hem in het theater zit, haalt hij ze tevoorschijn. De eerste flyer gaat over ongewenst urineverlies. Eén op de vier vrouwen boven de 35 en één op de acht mannen heeft daar last van. Er zitten ongeveer 500 mensen in de zaal, gezien de jonge gemiddelde leeftijd, zouden dat dan, berekent Tim, zo’n vijftig mensen zijn.
‘Wie o wie?’ vraagt hij en wappert met de folder in de lucht. Eén vrouw steekt voorzichtig haar hand op, het is te donker om te zien wie het is. Ik krijg het benauwd. Begin te schuifelen op mijn stoel.
De tweede folder gaat over aambeien en andere anale klachten, ook hier weer Tims vraag: ‘Wie?’ Volgens de statistieken kampt één op de vijf Nederlanders ermee en dan vooral mensen boven de vijftig. Daarvan zitten er tientallen in de zaal, maar wederom steekt maar één vrouw haar hand op en nee het is niet diegene met de natte onderbroek. Tim zegt dat hij beide vrouwen erg dapper vindt. En ik krijg buikpijn omdat ik grappen schrijf over dappere mensen, maar zelf niet dapper durf te zijn, omdat ik bang ben dat mensen anders grappen over mij maken.
Inmiddels hangt er boven de zaal een loodzware deken, of in ieder geval boven stoel 16 rij 9. Daar zit ik. En ja hoor, de volgende folder gaat over antidepressiva, maar liefst 1 miljoen Nederlanders slikken elke dag pillen om zich beter te voelen, maar in de Kleine Komedie voelt iedereen zich prima van zichzelf. Er gaat geen enkele hand omhoog. Tim houdt nog een filosofische verhandeling over verhullen en dat dat mens eigen is, maar mijn hart bonkt te hard om dat allemaal op te nemen.
Op de fiets terug, de nacht is koud en helder en de Amstel schijnt blauw op, vraag ik mij de dingen af. Waarom heb ik mijn hand niet opgestoken? Heb ik spijt? Waarom durf ik niet hardop zeggen, dat ik pillen nodig heb om te kunnen functioneren? Ik ben niet gek, ik schaam me. Terwijl ik van één ding heilig overtuigd ben, zoals schrijver Andrew Solomon zegt: ‘When we are ashamed, we can’t tell our stories. And stories are the foundation of our identity.’
Een paar dagen later zit ik met mijn moeder bij Loetje biefstuk met een plas boterjus te eten. Ze is blij dat ik de laatste tijd zo goed in mijn vel zit.
‘Als ik je bel’, zegt ze, ‘kan ik aan je stem horen, hoe het met je gaat.’
‘Wat hoor je dan?’
‘Ja, sinds je die pillen slikt, slis je veel meer.’
‘Sllliisssttt? Zoiets?’
Ze lacht. Ik lach harder. Samen lachen we om het hardst. En verslikken ons tijdens het eten in geslis. Van een normaal gesprek is geen sprake meer. Eenmaal thuis staat de app vol met sllliisssttt-geluidsfragmenten. En krijg ik ook nog een natte onderbroek.