Dat hij in zijn laatste dagen zit, dat idee heeft hij. Op zijn vaste bankje in het park, met uitzicht op ontluikend geel-paars-wit, haalt de oude man een leren etui en een doosje lucifers uit zijn binnenzak. Mijn vaste dagelijkse pretje, denkt hij bij zichzelf en trekt aan de sigaar totdat de punt flink gloeit. Wie weet heeft hij van alles onder de leden, wie weet ook niet. Maar nu, hier, in de eerste zonnestralen van het jaar die z’n oude botten opwarmen, is alles goed. Langzaam blaast hij een wolk rook uit. Zijn hond, die hij Focus heeft genoemd om hem eraan te herinneren wat belangrijk is, ligt een eindje verderop aan een tak te kluiven. Zodra hij de tabak ruikt, komt hij aangekwispeld en vlijt zich tussen de twee voeten van de oude baas. Een van z’n lange oren valt over de veters.
De dagen worden langer, mijmert de oude man, dat gedoe met de klok komt er weer aan. Misschien is het wel de laatste keer dat ik met de wijzers in de weer moet.
Vroeger, toen was hij daar niet mee bezig, met de tijd. Al die dagen die hij beleefd heeft, verslonden, verspild en verdrongen, ze zijn allemaal oud. Ineens komt er een Groningse uitdrukking bij hem boven: ’n Olle van doagen. Ja, dat ben ik, herhaalt hij naar niemand in het bijzonder, ik bin ’n olle van doagen.
De hond staat op, omdat hij een bal in het vizier heeft gekregen. Hij zet een paar stappen, maar bedenkt zich en gaat weer bij de baas liggen.
De oude man blaast nog eens diep uit. Traag waait de wolk een kale trompetboom in en lost op tussen de takken. Oud, ja dat is hij zeker, maar der dagen zat? Nee, dat is hij alleszins niet. Laat ze maar komen die dagen, glimlacht hij, pretjes heeft hij nog genoeg.