Vanaf de allereerste schooldag, zij is al zes en ik nog net niet, is ze mijn beste vriendin. Gewoon zomaar. De meester zet ons naast elkaar in de klas en ik wil dat dat altijd zo blijft. Samen hangen we in de pauze op de kop aan de rekstok, spelen we winkeltje op de stenen muur langs het schoolplein en laten ons, het liefst door de tweeling, vangen met jongens-wichterspakkertje.
Haar vader is ook boer, ze hebben een grote boerderij met een heel nieuw huis ervoor aan het kanaal. Pootaardappelen, suikerbieten, maar vooral tarwe. Als het oogsttijd is, ligt de schuur stampvol korrels. Mijn vriendin en ik, we doen onze laarzen uit en springen er vanaf het trapje naar de bijkeuken met een plons in. Het mag niet van haar vader, het graan zou pletten, maar zij trekt zich daar niks van aan en ik doe graag mee. We strooien met de korrels alsof het pepernoten zijn, gaan kopje-onder, proppen elkaars sokken vol en spelen Dagobert Duckje, met miljoenen graankorrels als goudstukken.
Als we moe zijn, gaan we naar de grote, groene trommels. Eerst moeten we door de bijkeuken. Daar staat een hele grote vrieskist vol fazanten en konijnen. Als het jachtseizoen is, schiet haar vader ze zelf op hun eigen land. Dan neemt hij hun hond, een bruinwitte, mee. Het geweer en de hondenmand staan naast de vriezer. Dat vind ik net een som, één plus één is twee.
De trommels zijn tot de rand gevuld met snoep en koek. Zonder te vragen kan mijn vriendin pakken wat ze wil. En ik mag ook. Maar daarom speel ik niet het liefst bij haar. Eerlijk niet. Bij ons thuis ligt alles nou eenmaal ingewikkelder.
Ze heeft een grote zus, ook met lang haar en soms dragen ze dezelfde kleren, zij in het rood en haar zus in het blauw. De grote zus leert ons veel, hoe het dansje van Dancing Queen van Abba precies moet bijvoorbeeld en dat Mon Amour van BZN, ons allereerste singletje, Frans is voor liefde. Soms doen ze kattig tegen elkaar, dat zou ik nooit doen als ik zo’n zus had denk ik.
Zijn we klaar met spelen, dan fietst mijn vriendin altijd een stukje met me mee naar huis. Langs het kanaal, de Rhederweg op. Precies op de helft, bij nummer 98, draait zij om en fiets ik door. Ik weet niet of we omkijken en zwaaien, maar ik zou het me graag zo herinneren.
Maand: april 2019
Slappe hap
Op weg naar een ouderborrel van puberdochters klas. Ik had ook gewoon lekker thuis kunnen blijven, maar ik vond dat ik moest. De luwte uit, de wereld in. Ik fiets langzaam en om, onder het Rijksmuseum door. Ik weet niet hoe ik me moet verhouden tot maatschappelijk succesvolle mensen, wil graag mijn vooroordelen over Amsterdamse gymnasium-ouders bevestigd zien en vind het tegelijk een prestatie van mezelf dat ik er één geworden ben. Van dat soort tegenstrijdige gedachtes had mijn boer nooit last. Ik vraag me af hoe hij zo’n borrel had aangepakt. Nog voor ik de museumtunnel uit ben, weet ik het al, hij zou gewoon zichzelf zijn.
Ik zet mijn fiets op slot aan zo’n ding wat ze een nietje noemen, vlak voor het imponerende huis waar ik moet zijn en bel zo gewichtig mogelijk aan.
‘Bring your own bottle’ stond er in de e-mail, dus ik heb verse munt meegenomen. Waarvan ik bij aankomst, het hele kookeiland staat vol gekurkte flessen, toch spijt heb. Nadat de gastheer mijn bosjes munt in een glas water heeft gezet, stuur ik mezelf naar een groepje medemoeders. Ze praten over de verschillen tussen de hoofdstedelijke gymnasia, waar al hun kinderen op zitten en anders zijzelf wel vroeger. Dat is alvast een vooroordeel dat klopt, denk ik verheugd. Wintersportverhalen uit de voorjaarsvakantie passeren, de bekende klaagzangen over schermgebruik worden afgewisseld met het beantwoorden van apps. Meepraten doe ik niet, laat staan mezelf zijn. Een tijd lang staar ik vertwijfeld naar het anderhalf meter lange, bordeauxrode gasfornuis, tot een vrouw met een te grote gouden ketting vraagt wat ik doe.
‘Ik kijk naar het fornuis’, hoor ik mezelf zeggen, ‘en ik ben bang dat iemand mij vraagt wat voor werk ik doe. Ik zou liever thuis met een zak Engels drop Netflix liggen te kijken, maar ik heb mijzelf opgedragen deze borrel als een project te zien en ben nog niet geslaagd.’
De vrouw haalt haar telefoon tevoorschijn en laat mij de Telegraaf app zien. ‘Ik werk voor die krant’, fluistert ze, ‘maar dat durf ik hier niet hardop te zeggen.’ Ze blijkt ook op een boekenclub te zitten en van slappe hap te houden, schenkt onze wijnglazen barstensvol, is bang dat haar oudste zoon blowt, vindt haar jongste zoon stoffig, wat precies bij die school past en zo wordt het toch nog gezellig.
Als ik naar huis ga, vraagt de gastheer me of ik de munt weer mee wil. Geef je die flessen dan ook terug, wil ik antwoorden, maar ik bedank beleefd. Had mijn broer vast anders aangepakt.