Op weg naar een ouderborrel van puberdochters klas. Ik had ook gewoon lekker thuis kunnen blijven, maar ik vond dat ik moest. De luwte uit, de wereld in. Ik fiets langzaam en om, onder het Rijksmuseum door. Ik weet niet hoe ik me moet verhouden tot maatschappelijk succesvolle mensen, wil graag mijn vooroordelen over Amsterdamse gymnasium-ouders bevestigd zien en vind het tegelijk een prestatie van mezelf dat ik er één geworden ben. Van dat soort tegenstrijdige gedachtes had mijn boer nooit last. Ik vraag me af hoe hij zo’n borrel had aangepakt. Nog voor ik de museumtunnel uit ben, weet ik het al, hij zou gewoon zichzelf zijn.
Ik zet mijn fiets op slot aan zo’n ding wat ze een nietje noemen, vlak voor het imponerende huis waar ik moet zijn en bel zo gewichtig mogelijk aan.
‘Bring your own bottle’ stond er in de e-mail, dus ik heb verse munt meegenomen. Waarvan ik bij aankomst, het hele kookeiland staat vol gekurkte flessen, toch spijt heb. Nadat de gastheer mijn bosjes munt in een glas water heeft gezet, stuur ik mezelf naar een groepje medemoeders. Ze praten over de verschillen tussen de hoofdstedelijke gymnasia, waar al hun kinderen op zitten en anders zijzelf wel vroeger. Dat is alvast een vooroordeel dat klopt, denk ik verheugd. Wintersportverhalen uit de voorjaarsvakantie passeren, de bekende klaagzangen over schermgebruik worden afgewisseld met het beantwoorden van apps. Meepraten doe ik niet, laat staan mezelf zijn. Een tijd lang staar ik vertwijfeld naar het anderhalf meter lange, bordeauxrode gasfornuis, tot een vrouw met een te grote gouden ketting vraagt wat ik doe.
‘Ik kijk naar het fornuis’, hoor ik mezelf zeggen, ‘en ik ben bang dat iemand mij vraagt wat voor werk ik doe. Ik zou liever thuis met een zak Engels drop Netflix liggen te kijken, maar ik heb mijzelf opgedragen deze borrel als een project te zien en ben nog niet geslaagd.’
De vrouw haalt haar telefoon tevoorschijn en laat mij de Telegraaf app zien. ‘Ik werk voor die krant’, fluistert ze, ‘maar dat durf ik hier niet hardop te zeggen.’ Ze blijkt ook op een boekenclub te zitten en van slappe hap te houden, schenkt onze wijnglazen barstensvol, is bang dat haar oudste zoon blowt, vindt haar jongste zoon stoffig, wat precies bij die school past en zo wordt het toch nog gezellig.
Als ik naar huis ga, vraagt de gastheer me of ik de munt weer mee wil. Geef je die flessen dan ook terug, wil ik antwoorden, maar ik bedank beleefd. Had mijn broer vast anders aangepakt.
ING, sterk hoor! Je laat je onzekere en kwetsbare kant zien en dat maakt je sterk. Nogmaals: STERK. Steengoeie column. Trots!
LikeLike