Glunderen

Hemelvaartsdag ben je alweer jarig, broer, 49 zou je deze keer worden. Weet je nog je laatste verjaardag, toen je dertig werd? Wat een feest was dat. Omdat jij nooit zou afstuderen, trouwen of een kind krijgen, had mama bedacht om ter ere van je dertigste verjaardag een heuse receptie te geven. En natuurlijk ook omdat je zo gek was op gezelligheid.
Met de leiding van het tehuis waar je woonde, was je van tevoren naar de kapper geweest, je wangen waren glad, papa had je lekkerroek opgedaan, je had je horloge om en natuurlijk droeg je je mooiste kleren. Een hip vest en een bruine broek met een groen shirt. Groen & broen of gruin & bruin, dat verhaspelde Gronings-Nederlands, daar lachen we thuis nog altijd om.
Op mijn werk had ik een officiële uitnodiging gemaakt. JARIG! stond er boven een afbeelding van koe die een taart uitscheet. ‘Mag niet’, zei je grijnzend toen je de kaart zag en je sloeg je handen voor je mond.
Boshotel Ruyghe Venne in Westerbork had een speciale zaal met een terras voor je gereserveerd. Bij de ingang stond een bord met je naam erop, daar poseerde je trots voor, ook al had je geen idee wat er stond. Mama had een corsage met een witte roos voor je gekocht, die papa je voorzichtig opspeldde, met het steeltje omlaag, zoals het hoort bij mannen.
Als een koning zat je op het terras, met uitzicht op de parkeerplaats en wie er ook uit de auto stapte, bij iedere gast glunderde je van onder tot boven.
Op de tafel naast je groeide de stapel cadeaus: niet alleen koeienpuzzels met heel veel stukjes, maar ook koeienkussens, koeienschilderijen, koeienmokken en een zwart-wit gevlekte pet die nu in de kamer van je neef hangt. Je nicht bewaart haar sieraden trouwens in het koeienladekastje dat je kreeg. Maar het mooiste cadeau was een mok met een man in een zwembroek erop. Als je een warme drank in de mok goot, ging z’n broek naar beneden en zag je z’n… Ja, ik weet het. Mag niet.
Je mocht op de stoel staan, papa hield je goed vast, en al je favorieten zongen ‘Lang zal je leven’. De cola en de cassis werden aangesleept, er was taart en chips en bitterballen, het hield niet op. Je werd gefilmd, gefotografeerd, voor eeuwig vastgelegd.
Wat een feest was het hè? Volgend jaar als je 50 wordt, moeten we het nog maar een keertje overdoen.

Groningse liefde

Arriva-trein Ede Staal stopt in Sappemeer-Oost. Een vrouw met een krijsende dreumes stapt in, ik pak mijn oortjes om te luisteren naar een net opgenomen take van de band van mijn oude Groningse liefde. Meer dan een kwart eeuw zijn de vijf mannen stil geweest, maar nu katapulteert de metal mij naar de kamer in de Torenstraat, met uitzicht op de platenzaak van vrouw Hekman. Het is 1991.
Er zijn groene ogen, lange haren en grote voeten in witte sokken. Er is zelfgemaakte kipkerrie, het bord op schoot, de blik op Studio Sport. Er is een eenpersoonsbed waar we makkelijk samen in passen. Er zijn dunne wanden waardoorheen je het buurmeisje en haar vriend hoort. ‘Vindst het fijn als ik over dien buuk spoit’, zegt de vriend. ‘Mwah. Gaait wel’, antwoordt ze. Er is lol, oneindig veel lol. Over tosti’s, ananassen, Mainzelmännchen en voetbalplaatjes van spelers met snorren. Er zijn optredens tot in Tivoli en Paradiso aan toe, waar ik verlangend luister naar teksten waarvan ik hoop dat ze over mij gaan. En kijk naar een woedende en kwetsbare zanger waarvan ik denk dat hij van mij is.
Drie minuten en 48 seconden duurt het nummer, precies de tijd die de Ede Staal erover boemelt om van Sappemeer-Oost in Zuidbroek te komen. De dreumes sabbelt op een speen. Nog elf minuten en een stop in Scheemda en ik ben terug in mijn jeugd. In Winschoten, waar de metalband na ruim 25 jaar een eenmalig optreden geeft. Ik ben inmiddels oud genoeg om toe te geven dat de muziek te ruig voor me is. Voel me te stads in het prachtige festivalpark. Maar voor een half uurtje is de zanger nog net zo woedend als toen, zijn zijn ogen nog net zo vurig groen en hoop ik dat mijn Groningse liefde nooit over gaat.

Schouders

Mompelend komen de mensen binnen, maar de dochter kijkt niet om. Ze zit in het midden op de voorste rij, tussen haar man en haar broer en staart naar de kaarsen, de foto, het roze rozenhart op de kist. Haar frêle schouders zijn gestoken in een mosterdgele blouse van satijn. Ze heeft altijd al gevoel voor stijl gehad, net als haar moeder.
Als iedereen zit, valt de stilte in. Dan begint de spreekster te vertellen over de tijd dat de moeder een klein braaf meisje was. Het kastanjebruine halflange haar van de dochter wiegt een beetje heen en weer. Af en toe draait haar hoofd naar links, naar haar man en trekken haar schouders zich lichtjes samen.
‘Ik lijk het hoe te zien, maar het waarom maakt dat de haren mij te berge rijzen’, citeert de spreekster uit een raak gedicht. De rechterschouder van de dochter buigt naar haar broer.
Het verhaal vertelt verder over het geleefde leven van een lieve, zorgzame maar ook angstige vrouw. De dochter draait haar hoofd wat schuin. Het zonlicht schijnt op het diamanten oorringetje, de weerkaatsing aait haar wang. De namen van haar drie kinderen klinken en hoe blij oma met ze was. Alle drie kijken ze even opzij, naar hun moeder. De dochter spant haar schouders nog wat aan.
‘Pak mijn hand en voel het stromen, de liefde die ik bij me draag, ik vraag je…’ klinkt er uit de luidsprekers. Haar schouders zakken een stukje lager, een eindje dieper tot ze haar hoofd laat rusten op de schouder van haar man. Een schouder die voor even het dubbele moet dragen.
Nog een lied, nog een woord en dan is alles gezegd. Voorbij. De mensen schuifelen één voor één langs voor een laatste groet. De dochter staat rechtop en ondergaat de stoet. Met een keel die slikt. Gevouwen handen waar ze hard in knijpt. En ogen die naar binnen kijken. Pas als iedereen is langsgelopen, ontspannen de mosterdgele satijnen schouders zich. Haar zorg als dochter is voltooid.

Eerste citaat uit gedicht ‘ Zandloper’ van Jean Pierre Rawie
Tweede citaat uit ‘Breng me naar het water’, Marco Borsato

Kip zonder kop

Met een stuk kippengaas probeer ik het pas gezaaide gras in ons postzegeltuintje te beschermen tegen het gegraaf van Mokum. Voordat de hond in ons leven kwam, hielden wij drie kippen: Plof, Kriel en Stres. Ik mis ze nu ik mijn rechter wijsvinger aan de uiteinden van het gaas snijd. Dat onbekommerde gescharrel, het kneuterige getok, het gefladder als ze een zandbad namen…
Mijn opa Lambertus hield ook kippen. Voor de eieren en het vlees. Als ze na een jaar of twee, drie te weinig eieren legden, slachtte hij ze zelf. Zonder een kik te geven, draaide hij de nutteloze kip de nek om. Om daarna met een ferme haal van zijn bijl haar kop eraf te hakken. Door de kieren tussen mijn vingers die ik voor mijn ogen hield, keek ik toe.
Hij dompelde de vogel niet direct ondersteboven in een emmer water, maar zette haar eerst nog even op de grond. Heel soms liep de kip zonder kop nog wat spastisch rond, maar vaker zeeg ze direct ineen. Mijn opa verzekerde mij dat de kip geen pijn meer had en verdronk haar dan in de emmer. Ik haalde mijn handen voor mijn gezicht vandaan, maar vertrouwen deed ik het niet. Druipend hing opa de kip op de kop in de deurpost tussen de stal van de kalveren en de vaarzen. In het midden zaten twee haken waarin hij boontje-touw had gehangen. Er zat een ingewikkelde knoop in die mijn opa met één ruk los en vast kon maken. De kippenpoten pasten er exact in. Met haast wiskundige precisie haalde hij het vel van het dier los en stroopte het verenpak van de kip. Dan kon het uitsnijden van de onderdelen beginnen. Met één jaap sneed hij de kip in de lengte doormidden en pulkte met zijn blote handen maag, hart en lever eruit. Het orgaanvlees nam hij zelf mee naar huis, dat vond hij het lekkerst. En een poot voor oma Barbertje. De rest van de kale kip drukte hij mij in de handen. Lekker vond ik, zeker met sperziebonen en zelfgemaakte appelmoes.
Mijn vinger bloedt best hard. Door de open tuindeur vraag ik puberzoon en -dochter om een schaar. Ze horen me niet, allebei op hun eigen iPad verdiept in een eigen aflevering van Game of Thrones. Dan pruts ik zelf een stuk keukenrol om mijn vinger en haal een schaar uit de la waarmee ik een reep pleister afknip. Altijd te breed of te smal. En anders wel scheef geplakt. Er kleeft bloed aan de schaar, op de la zitten rode vegen en ik heb ook nog een beetje gemorst op de kipfilets die op het aanrecht liggen te ontdooien.