Herfstvakantiemaandag

Op herfstvakantiemaandag tien jaar geleden zat ik in de wachtkamer en probeerde de gezichtsuitdrukking van de arts met wie we een afspraak hadden te peilen. Iedere keer dat ze uit de gang kwam, de wachtkamer instapte en een andere achternaam dan de mijne riep, keek ze heel erg niet mijn kant op. Ik was als laatste aan de beurt. Dat had ze expres gedaan bleek later, dan kon het gesprek mooi uitlopen en hoefden alle vrouwen die wel goed nieuws kregen daar tenminste niet op te wachten. ‘Mevrouw Haan’, zei ze – er zat een miniem kuchje tussen die twee woorden – en ontweek zo professioneel mogelijk mijn blik. Wat verder volgde geen idee, ik had net zo goed niet naar binnen hoeven gaan.
Ik wilde naar huis. Naar de kleuterdochter en de middenbouw-zoon die met een bibber-oma met de knikkerbaan aan het spelen waren. Ik wilde sinaasappels voor ze persen. Alvast de tafel dekken voor het avondeten. En morgen met ze naar de Krakeling.
Op herfstvakantiemaandag ren ik in het Amsterdamse Bos. Na twee kilometer stap ik in een modderpoel en schiet de kramp in mijn rechterkuit. Precies op de plek waar ik dacht dat het net over was. Het begint te miezeren en mijn hardloopjack blijkt niet waterdicht. Mokum springt met haar blubberpoten op de achterbank en ik rij de stoep op, tegen een Amsterdammertje aan.
Ik wil naar huis. Naar puberzoon die op de bank About a Boy van Nick Hornby voor zijn Engelse lijst leest en naar puberdochter die haar kledingkast uitmest omdat ze in de vakantie met vriendin en kleedgeld gaat winkelen. Ik wil de afwasmachine uitruimen. Knakworsten opwarmen voor de lunch. En morgen naar Jochem Myjer.

Ouders

‘Als we nou voor het concert samen naar zijn graf gaan’, had ze hem gevraagd.
‘Da’s goud’, antwoordde hij.
Waren ze daar ooit samen wel weer geweest? En hoelang was het nu geleden dat hij was overleden?
‘Moeten we wel ’n bloumke mitnemen’, zei hij en trok zijn jas aan om naar de bloemist in het winkelcentrum tegenover zijn huis te gaan. Terwijl zij op hem wachtte speelde ze wat flarden van vroeger op de piano in de huiskamer. Een beetje Bach, een beetje Mozart, het zat er nog wel in, maar het was ver weg.
Met drie rode rozen stapten ze in zijn auto. Een kwartiertje rijden was het, maar het voelde als een lang verleden. Aan deze straat hadden ze samen hun leven opgebouwd, in dat huis waren hun dochter en hun zoon geboren, daar had hij de boerderij van zijn vader overgenomen. Daar was ook de verwijdering ontstaan en was zij uiteindelijk vertrokken.
De herfst kleurde de begraafplaats okergeel. Net als negentien jaar geleden.
Langzaam liepen ze het pad af, richting de steen. Ze twijfelde of ze zijn hand kon vastpakken en stak toen haar arm door de zijne.
‘Moi mien jong’, zei hij en legde voorzichtig twee rozen op het graf. Eén van hem en één van zijn dochter.
‘Ach lieverd’, zei zij en legde haar roos naast die van haar dochter.