
Eindelijk, eindelijk was het kerstvakantie en brachten haar ouders haar naar het oude, tochtige maar o zo gezellige huis in Berghuizen. Alles was daar anders dan thuis, spannend ook. Haar oom en tante – de stumperds werden ze in de familie genoemd, maar dat had het nichtje nooit begrepen – deden leuke, nieuwe dingen met haar. Ze waren meester en juf, misschien kwam het daar wel van. Samen met haar tante, die knoepergoed kon handwerken, ging ze een wandkleed maken. Ze knipten vogels uit oranje en bruine vilt, naaiden er oogjes van pailletjes op en maakten de vogels vast op jute. Het nichtje deed alles een beetje scheef, ‘Scheetje beef’ zei haar oom altijd, maar dat gaf niks. Soms stapten ze met z’n drieën de eend in, op weg naar Meppel of Hoogeveen en dan zongen haar oom en tante keihard mee met ‘Een heel gelukkig kerstfeest, voor jou, voor mij, voor iedereen’. Eenmaal in de stad aangekomen, gingen ze bij een cafeetje in de winkelstraat wat drinken en kreeg het nichtje appeltaart met slagroom.
Op de dag dat het nichtje weer naar huis zou gaan, het was 31 december, lag er een pak sneeuw van een meter. Haar ouders vonden het te gevaarlijk om haar op te halen. En zo moest ze met Oud en Nieuw wel in Berghuizen blijven! Midden in de nacht, vlak voor 12 uur, zou haar oom haar wakker maken. Voor deze ene keer mocht ze in hun grote bed in slaap vallen. Ze droomde van kerstbomen, van taarten en van vogels. In haar schemerslaap drongen langzaam geluiden door. Haar oom floot zachtjes, steeds een beetje harder, tot het nichtje wakker werd. Ze sprong uit bed, brrr, de vloer was ijskoud aan haar voeten. Snel trok ze haar grijze wollen sokken aan. Had oma voor haar gebreid, haar oom en tante hadden precies dezelfde, maar dan wat groter. Dat vond ze stiekem nog het leukst van alles.