Berusten, dat is wat je doet. Dat heb je je hele leven toch ook al gedaan, pap? Waarom zou je nu ineens iets anders doen. Ik kijk naar je op de bank, hoe je ademt of je hoest of zucht. Of je ogen open zijn of waterig of van vermoeidheid dicht.
Ik geloof het niet, van ons vier zou jij het echt niet krijgen. Mama, daar zijn we inmiddels aan gewend, zij heeft het al zo vaak te horen gekregen en van je zoon, mijn broer, hebben we het altijd wel geweten. Oké, dat ik het kreeg, dat was een verrassing. Maar jij? Je bent een boom, een rots, een onwrikbare zekerheid. Nooit een pijntje of een kwaaltje. Tja, je rookt en drinkt, maar jij zou toch echt de enige zijn aan wie dit lot voorbijging. Bij wie dit gewoon niet waar is.
Ik ga naast je zitten, misschien als ik je omhels, ga ik wel het geloven. Jij snift wat en zegt dat je morgen de papieren bij elkaar gaat zoeken. Dat je man en ik dat dan niet hoeven te doen. Dan is dat maar vast geregeld. Een speldenprik besef komt binnen.
Je kunt toe met weinig woorden. Wat je zegt is nuchter, wars van flauwekul. Toen ik je jaren geleden ’s avonds laat vanuit Italië in paniek opbelde omdat onze tent en alle spullen waren natgeregend, zei je: ‘Mörn is alles weer dreuge.’ En viel ik in een klamme slaapzak gerustgesteld in slaap.
Jouw berusting, ik ga proberen me eraan vast te houden.