Ha oma, ik weet wel zeker dat je toekijkt. Dan zie je ons zitten, je jongste dochter en je oudste kleindochter. In een tuin met vijf makke kippen, een vijver met waterlelies en een border vol witte chrysanten. Je dochter, almaar brozer, zet een doosje op de tuintafel. Ze vindt het fijn om alles weg te geven, zegt ze en haalt het deksel eraf. Brede armbanden, losse kralen, sieraden met een verhaal, in goud en nep goud. Je kleindochter hapert. Wat doet het ertoe welke ze krijgt, welke ze mooi vindt. Het gaat om het gebaar.
Ondertussen maakt je schoonzoon thee en spoort zijn vrouw aan een slok te nemen. Hij plukt een biscuitkruimel van haar t-shirt. Zijn de kippen ook weer blij. Eén kip is vernoemd naar je jongste achterkleinzoon, spierwit is ie. Het zou mooi zijn als ie zich als haantje zou gedragen, maar dat doet ie niet.
Je kleindochter is eruit, ze kiest een dunne armband die goed past bij de laatste armband die ze samen met haar vader kocht. Een tijdje houden tante en nicht elkaars handen vast. Het is stil. Het is goed zo. Dat vind jij toch ook, oma?