Een tafeltje met bekers en een kan water, een doos tissues en vier poefjes. Vier kinderhoofdjes, twee donker en twee blond, kijken naar de foto van hun oma. Het oudste jongetje in een net overhemdje, serieus en wijs. Het meisje bedachtzaam, met natte ogen, haar haar in een rommelige visgraatvlecht. Het kleinste donkere jongetje zit met zijn armen rond zijn vaders been, achterstevoren op de poef. En de allerjongste, een boefje met warrig blond haar kan niet wachten tot hij een van de vier kaarsen aan mag steken.
Hun opa spreekt over dijken en doorgangen, en hoe dapper en definitief het is om naar de andere kant te gaan. De vader van de blonde twee schetst een jeugd zonder kleerscheuren, een onvoorwaardelijke moeder, een oma die voorlas en knutselde. De moeder van de donkerharige jochies huilt om haar allerliefste moeder en vraagt zich af wie ze nu moet bellen als ze het even niet meer weet. ‘Goed gedaan, mama’, zegt een van haar zoontjes als ze klaar is. Op de foto’s die tijdens de muziek worden vertoond, zien de vier kleinkinderen hun oma veranderen van zwart-wit klein meisje, jonge vrouw in oranje en bruine tinten naar de oma in kleur, die ze zo goed kennen.
Dan is het zover.
Er moet geplast, gesnoept, gespeeld, gedronken, gerend. Bij opa thuis, staren de twee blonde en de twee donkere hoofdjes nog even naar een scherm met gele Minions. Heel moe zijn ze, maar ook opgetogen. Zo laat als vandaag, zijn ze nog nooit naar bed gegaan.
Maand: september 2020
Bloedkoraal
Ha papa, ik was toch al van plan deze week bij je langs te gaan. Ik wilde je vertellen dat we een steen voor je hebben uitgezocht, een steen uit een of andere Oostenrijkse berg, net als die van je zoon, en de tekst wordt ook mooi, ja laat dat maar aan mij over. We moeten het nog wel even hebben over de kosten, maar dat komt wel.
Maar nu is er dit. En had ik gewild dat je naast me zou zitten, maar ja wat heb je in dit leven te willen? Dus heb ik spullen gepakt van oma, een schortje dat ze ooit geborduurd heeft en een gehaakt zakje dat bedoeld was, denk ik, om walnoten in te bewaren voor het neutenschaiten met Pasen. Alle spullen om me heen gelegd, de blauwwitte kralen erbovenop. En de rode bloedkoralen die ik van je zusje heb gekregen vloekend omgedaan, omdat ik door de tranen de sluiting niet goed dicht kreeg. Ook nog het lijntje dat ik met jou en oma heb weg.
Ik heb geprobeerd hoop te halen uit een vlinder op de armleuning van de tuinbank, uit witte rozen die zich laten schikken, de vanzelfsprekendheid van de blik van mijn hond… Maar nee. Niks van dat alles.
Dus vanmiddag ga ik bij je langs en dan ga ik in je armen vallen en dan ga jij iets zeggen als ‘Zolang de kippen maar blijven broeden, komt het allemaal wel goed.’
Tante en nicht
Dezelfde slaapkamer.
En dezelfde dikke grijze sokken.
Allebei naar dezelfde basisschool.
Dezelfde humor.
Hetzelfde kapsel, allebei een bril.
Dezelfde smaak, in sieraden, schilderijen, bloemen en behang.
Dezelfde liefde van en voor haar moeder, mijn oma.
Allebei een man die van kippen houdt.
Elk een zoon.
Elk een dochter.
Geen wonder dat haar broer, mijn vader onze namen altijd door elkaar haalde.