{Brieven aan mijn vader}
Je huis is zo goed als verkocht, pap. Waar moet je nu wonen? Ga je mee met je man? Naar een mooie, rustige plek in Westerwolde? Liefst met oeverloos uitzicht over de velden? Of terug naar Zoutkamp waar je wieg stond in het dubbele huis aan de Grachtstraat? De pachtboerderij in Blijham misschien, waar je in je kinderjaren met je broer en drie zussen woonde? Waar je sierduiven hield, naar de boeren- en middenstandersgymnastiekclub ging, piano speelde en je vader hielp met de graanoogst… Of je gaat weer op kamers, of beter gezegd, in de kost want je kreeg er ’s middags een bord warm eten, aan het Hoge der Aa in Stad.
De boerderij in Bellingwolde dan? Daar heb je twee keer gewoond, eerst met je oude gezin en later toen je ouders gingen verhuizen en jij en je broer het bedrijf overnamen, trok je er met je nieuwe gezin in. Het was maar twee huizen verwijderd van het huis wat je kocht voor 26.000 gulden en waar wij zijn geboren.
Terug naar je ex-vrouw kan ook, maar ik denk niet dat dat een goed idee is. Alleen Amsterdam al… Bij mij thuis is dan ook geen optie. Ik mot er nait aan denken, in zoo’n grode stad.
En Noord-Drenthe, is dat wat? Weer in het mooie huis met het rieten dak? Waar je barbecuede op het terras naast de vijver met je kleinkinderen? Nee, te veel werk die tuin denk ik. Misschien wil je wel gewoon in het oude postkantoor blijven. Je hebt dat altijd een prachtig huis gevonden, behalve die trap dan…
Ik maak me druk over waar je nu moet wonen, maar ik vergeet helemaal te vertellen dat je man ’t hoes nait verschoten het. Echt, de prijs is goed, sowieso meer dan 26.000 gulden, en daarmee kan hij weer verder.
Maar ik wil graag nog een tijdje stilstaan. Voordat de dozen komen, het opruimen begint en al je spullen ook door mijn handen gaan. De strippenkaarten die je nog bewaard hebt, ook al heb je nog nooit een GADO-bus van binnen gezien. Het diploma van de Middelbare Landbouwschool, de foto’s die ik je voor het digitale tijdperk gaf van je kleinkinderen, netjes bij elkaar in een envelop. Je roze poloshirt, je bril, je portglazen, je badjas, de bloempotten, het gereedschap dat nog uit de boerderij komt, je sigaretten…
Misschien moet je gewoon bij je zoon blijven. Daar waar je altijd zult zijn, samen in het land van de baauwten en de boerderijen.