Het was drie keer de heenweg, in een lange optocht ging het, een rood-witte streep van fietsers richting de Johan Cruyff Boulevard. Het was het aan elkaar vastknopen van de fietsen tegen een lantaarnpaal. Het staan tussen boomlange jonge mannen voor de draaihekjes van ingang Zuid. De blikjes Heineken en de sigarettenrook. De altijd vrije dameswc’s. Het gekriebel van de sjaal. De eerste blik op het overdonderende stadion op de trap richting rij 8. De zenuwen om op tijd te zijn, te laat en te lang moeten wachten. Het was de aanvoerder on fire. Nanananana nana nana na na na.
Het waren de gemoedelijke Schotten. Het gejuich na de goals van Álvarez, Berghuis, Kudus en Bergwijn. De spreekkoren van de F-Side. En het antwoord van de fans aan de overkant. Het waren de stewards, de bardames en de Italiaanse en Engelse politie.
Het was de zindering, het doven van de lichten, het gewapper van tienduizenden vlaggetjes en de anthem vlak voor de wedstrijd. Het waren de halve liters en de witte wijn. Het biergooien en het gescheld. Het waren de drie kleine vogeltjes in de rust.
Het waren de ME-bussen, de honden, het vuurwerk en de grimmigheid op de tribune tijdens de wedstrijd tegen Napoli. Het was de vuist in de lucht van de tienerzoon na het doelpunt van Kudus. Het was de collectieve verbijstering over de Napolitaanse doelpuntenregen. De rode kaart voor de aanvoerder. Het striemende fluitgeluid tegen de thuisclub.
Het was het geld van mijn vader, het honende, digitale commentaar uit Groningen, de apps vol spelinzicht van mijn gelijkgestemde buurvrouw en de complimenten van onze voetbalvriend uit Glasgow.
Het was de hoop in het eerste half uur tegen Liverpool. Het lichaam van Brobbey, de reddingen van Pasveer en de onvrede over Blind. Over Taylor. Het was die eikel van een Núñez. Weer. Het waren maar tien minuten. Het was mijn verwarring over de rugnummers en de minuten waarin er gescoord werd. Het gezamenlijk chagrijn. Het tergende tijd rekken en het ‘even voor de stroom aan’.
Het was het negentig minuten lang. En dat drie keer. Het was de terugweg in een vrolijke, verbouwereerde en gelaten optocht, een rood-witte streep van fietsers richting huis. Het waren man E en de tienerdochter thuis wachtend op de bank, de nabeschouwing nog op het scherm. ‘Mam, broer, hoe was het?’
Het is onze club.