Badjas

Het moest en het zou. Nu het nog kon. Samen naar het kerkhof. En dan? Met zijn tweeën kijken naar twee stenen? Nog een keer fysiek met zijn vieren samen?
Ik vroeg man E waarom. Hij zei iets van krampachtig het oude gezin bij elkaar houden. Ik vroeg mijn moeder waarom. Zij herkende de behoefte niet zo. We waren de auto nog niet uitgestapt of ze haalde een sigaar uit haar koker. Het waaide. Ik ging met mijn rug in de wind staan en sloeg mijn armen zo dicht mogelijk om haar felrood gejaste schouders. Ze vroeg of ik de aansteker wilde aandoen. Toen we bij de graven stonden woei de rook in mijn gezicht. We lachten en ik ging toch maar aan de andere kant staan. Moest er een selfie komen? Nee. Of ja. Toch wel. Technisch was ie goed gelukt met dank aan de lessen van tienerdochter, maar we stonden er allebei mat op. Met een stukje zerk in het midden.
Mijn vader en mijn broer lagen onder een dikke bladerdeken. Er zweefde een beeld mijn hoofd in. De keukentafel, mijn vader aan de koffie, in een boerenbont kopje, met de Winschoter Courant. Mijn broer met een puzzel en Robert Long in de cassetterecorder. Of zit ik dat nu te verzinnen?
Een paar uur daarvoor was ik wakker geworden in mijn geboortedorp. In het huis van mijn vaders man. Ik weet niet hoe ik ’m moet noemen. Nieuwe broer? Bonusvader? Gay best friend? Hij is mijn familie.
De badjas van mijn vader hing klaar op de stoel in de logeerkamer. Toen ik de dag ervoor mijn tas inpakte dacht ik er al aan. Ik hoefde mijn dikke trui en joggingbroek niet meenemen. De jas mag ik altijd aan. In de rechterzak zitten nog steeds twee boerenzakdoeken. In het begin zat er ook nog een stukje keukenrol in, maar dat heb ik weggegooid. De zakdoeken haal ik er uit, de lange mouwen stroop ik op. Ik kruip ermee op de bank en ontbijt erin. En na het douchen trek ik ’m over mijn blote lijf weer aan. Als ik ben aangekleed, stop ik de zakdoeken weer terug en hang de jas over de stoel.
Mijn moeder en ik reden terug. Net als gisteren, ergerden we ons aan de vlaggen. Kilometers op-de-kop-vlaggen in Groningen, Friesland en Flevoland. We smeedden plannen om ze samen op te ruimen. Een aanhangwagen lenen, over de vluchtstrook rijden, de palen uit de grond trekken, de vlaggen losknippen, ze stuk voor stuk rood-wit-blauw ophangen?
Het moest en het zou. Ik vond het belangrijk.