
Voor het plassen had ik mijn telefoon uit m’n kontzak gehaald en op de prullenbak gelegd, zodat ie niet in de wc zou glijden. Het toilet spoelde automatisch door, ik pakte mijn beide rugzakken. Man E stond in een van de lange hallen te wachten. We liepen langs weer een security check, een paar trappen af, nog een gang met heel veel winkels, toen waren we bij de gate. Omdat we met een Cityhopper gingen, moesten we met de bus naar het vliegtuig. Man E checkte in, ik niet. Want, niks om mee in te checken. Paniek. De gate sloot over tien minuten. Trappen op, hallen door, tegen de stroom winkelende mensen in. Met bergschoenen.
De wc was bezet. ‘No’, zei de vrouw die erop zat. Er lag niks. Ik kon het niet geloven en bleef wachten tot ze klaar was. Ze had gelijk.
Bij de security tegenover de wc stonden officiële mannetjes. Of ze een telefoon gevonden hadden? ‘Met een hondje?’, zei een van de twee. Ik was nog nooit zo blij met hond M geweest. De telefoon rinkelde, het was man E, dat ik moest opschieten. De trappen, de hallen, de winkels, de gate, het zweet, de opluchting, de bus, de steward met een verfrissingsdoekje. Ik kwam pas weer op adem toen de daling werd ingezet.
De taxichauffeur reed spook, maar toen ik beter keek bleek iedereen dat te doen.
Op het eerste het beste pubterras tegenover ons hotel, legde man E uit dat Guinness bier vlak onder het schuimlaagje eerst donkerbruin is en dat je het kunt drinken als het zwart is opgetrokken. De witte wijn smaakte mij ondertussen prima. En ja, dat is een Groningse zinsconstructie. Na het eten gingen we nog een wijnbar binnen, ik voornamelijk vanwege het logo: een mannetje dat in de stromende regen een glas wijn dronk onder een paraplu. Je kon er allerlei flessen kopen om mee te nemen of daar op te drinken. Koos je voor dat laatste, dan betaalde je 15 euro kurkgeld, oftewel corkage. Omdat we in Cork waren, vond ik dat leuk.
De volgende ochtend keek ik uit het raam van het hotel en zag aan de overkant een zwerver in een slaapzak onder de overkapping van het Everyman Palace liggen. Wij hadden precies dezelfde nacht op bijna precies dezelfde plek in een viersterrenhotel liggen slapen. Perspectief.
In de supermarkt waar we eten en drinken voor de treinreis naar het ophaalpunt van de campervan haalden, waren de Irish Times, The Irish Independent en de Irish Examiner te koop. Ze leken op drie varianten van de Telegraaf. We stapten in een trein van Irish Rail (Iarnród Éireann) richting Ennis waar net een witte bouwvakkersbus aan kwam rijden. Het bleek de camper. En behalve het stuur, dat aan de verkeerde kant zat, was ie perfect: een wc, twee gaspitten, een koelkast, als je het ruim nam een tweepersoonsbed, veel opbergruimte en zelfs een douche. We reden ermee naar de supermarkt waar we in ons gezamenlijke stramien boodschappen deden, man E het warm eten, ik de rest, samen de alcohol. En toen door naar een camping onderaan de hoogste berg van Ierland die we niet gingen beklimmen en waar ze bloempotten in de vorm van wandelschoenen op de picknicktafels hadden staan. Het gras was er groen en hoog. De vogels floten, de schapen op de heuvelhelling waarop we uitzicht hadden blaatten en wij vielen opgepropt in slaap.