
Het was de eerste keer dat we weer samen op vakantie waren. De laatste keer, zochten we onze herinnering af, was iets meer dan twintig jaar geleden naar een camping in midden-Frankrijk. Waar het de nacht voor mijn verjaardag heftig onweerde, de tent het niet droog hield, baby Emar zich voor het eerst flink roerde in mijn buik en ik een spaghetti-machine van man E cadeau kreeg. Speaking of perspectief. Ik had nu ook iets cadeau gekregen trouwens, 7 cm beenruimte. Als verrassing had ie met zijn flying bluemiles onze vliegtuigstoelen geüpgrade.
We trokken onze wandelschoenen aan en liepen door een van de smalste kloven van het land. Links en rechts ingehaald door elektrische fietsers en jaunting cars, zoals ze paard en wagen daar noemen. Maar dat mocht het natuurschoon niet drukken. Purple mountain was met recht paars te noemen, vanwege een zee aan rododendrons. En nee, dit woord heb ik van mijn leven nog niet eerder gebruikt. Het ene pittoreske meertje met weerspiegelingen van bergen erin volgde vloeide naadloos over in de andere, ruïnes van oude huizen en schuren gaven de boel nog wat extra cachet. Aan de rand van de weg lagen onnoemlijk veel stenen, eentje had precies dezelfde vorm als de steen die op mijn vaders graf staat en dat was fijn. Toen we aan het einde van de kloof pauzeerden met een boterham met kaas met ei met ham met tomaat, zei man E dat het vandaag de geboortedag van mijn broer was en stond ik stil bij 53 jaar, de steen en de bijna teveelheid natuur.
Na de wandeling dronken we thee – nee tuurlijk niet – in The Coffee Pot Café, ik at een scone en kocht een koelkastmagneet, maar voordat dit toch een saai reisverslag gaat worden diende de volgende stresssituatie zich aan: op het dashboard ging een lichtje brandden. Man E belde de campervan guy en als we wilden konden we als we in de buurt waren langskomen bij z’n shop en het laten maken. ‘No worries.’ Wij hadden wel wat beters te doen vond ik. Man E vond het wel een goed idee. Na wat gehakketak besloten we over een paar dagen, als we toch in de buurt waren, de camper te laten nakijken.
We kwamen, in retrospectief, aan op de stomste en ook nog duurste camping van de vakantie. Strakke vakken waarin je moest parkeren, aangeharkte grasveldjes en in het gelid neergelegde kiezelstenen. Een douche met het schoonste afvoerputje ever, waar je dan wel weer extra voor moest betalen en een eigenaar die ons vertelde dat het het komend weekend national banking holiday was en dat alle locals, zeker met dit weer, gingen kamperen. Ons stressniveau nam weer toe.