
Het ritme ging er vandoor. We hadden nauwelijks oog en tijd voor het langste fjord van het land, zag ik toen ik later thuis de foto’s zat te bekijken. Het shop-tempo zat er wel goed in. We kochten schapenwollen sokken voor de twintiger, puffin handschoenen met zonder vingers voor de tiener en een zachte sjaal met bijen voor mij. Man E ondertussen, was bezig zijn zoommeeting voor die middag waar hij niet onder uit kon voor te bereiden.
We dronken vieze koffie in een klassieke pub, ik telde veertien taps en één barkeeper die nauwelijks te verstaan was. Net echte locals voelden we ons. Man E installeerde zich op een kampeerstoel voor de Joyce’s Garage en ik pakte mijn shop-tempo weer op: tandenborstels want lader kapot, een koffiemok, want stuk gevallen door het gehots en gebots van de campervan. Ik bestelde een kop thee en een scone met cream en jam. En voelde me een net echte local part two.
Nog een uur rijden en we waren bij de eindbestemming van vandaag. Het was een eiland, het heette ook eiland, maar we gingen er toch over een brug naartoe. We boekten een camping aan zee voor twee nachten en papten aan met buren die een geweldige kampeerkeuken hadden. In bed lag ik me af te vragen waarom we toch niet eerder twee nachten op één plek waren gebleven. Man E kon ik het niet vragen. Hij was een praatje met de campingeigenaar aan het maken die vertelde dat de berg in de verte, ten westen van de camping de vorm van een rat met een lange staart had. ‘When you can see the rat, it is a good day on Achill.’