Doordeweeks

Man E was voor het eerst voor zijn nieuwe baan op pad naar het buitenland. Hij appte dat ie in dezelfde wijnbar zat die wij eind mei in het regenachtige land hadden ontdekt. Die wijnbar met dat logo van dat mannetje die in de stormende (geen typefout) regen onder een paraplu een glas wijn drinkt. Ik zal er denk ik nooit achter komen wat ie precies voor werk doet, maar goed doet ie het wel. Ook met de naam van zijn nieuwe werkgever heb ik moeite, het is een afkorting en een combi van Curaçao, internationaal en trustcompany. Als je het snel uitspreekt, klinkt het als sitcom en dat is niet alleen makkelijk te onthouden, ik weet ook wat dat is. Cheers, Friends.
De nestverlater had haar eerste examen, ging wel goed spraakberichtte ze, en was voor het eerst naar een Spaanse sportschool geweest. Bijna vier weken is ze weg nu en het voelt als vier jaar. Maar ook als vier minuten. Ik heb een aftelkalender gemaakt en die boven haar bureau gehangen. Elke dag is het weer een nachtje minder en stuur ik haar een foto. Helpt dat? Ja, dat helpt.
De nestblijver typ ik, maar ik vind nestbevuiler eigenlijk grappiger, nam een homp cake, ging mee met het uitlaten van hond M en vertelde over het ongewenste gedrag van een meisje dat hem was overkomen.
Zelf zocht ik een recept voor vegan glutenvrije kwarktaart en had ik, indachtig mijn chakra-sessie van een paar weken geleden, mijn eerste yin-yoga les. Een woord dat je met Wordfeud niet eens kunt leggen. Het is gericht op het versterken en versoepelen van je bindweefsel en gewrichten. Je gebruikt je lichaam niet om in een houding te komen, maar de statische houding zorgt er juist voor dat je je lichaam beter voelt. De juf had het steeds over joints, wat ik niet begreep en zei na afloop dat dat bindweefsel was, maar gelukkig wist de nestblijver het beter: gewrichten. In de yy-les ging het ook over de herfst, loslaten, meridianen en het zacht maken van je lichaam. Kwakzalverij? Nou en.

Het nest is halfvol

Ondertussen is er in mijn halflege nest nog wel een kuiken achtergebleven. Met een biceps waar je u tegen zegt, maar dat terzijde. Een kuiken waar ik graag koffie voor maak en waarmee ik in het mooiste Spaans praat en zing. ¡Ola supermercado! Een kuiken dat blij is met mijn huishoudelijke systeempjes en niet meer met me mee wil naar Ajax, maar misschien heeft ie wel gelijk. Een kuiken dat allang kan vliegen, maar lekker in het nest blijft zitten. Misschien heeft ie wel gelijk.
Over precies 117 dagen vlieg ik met dat kuiken een oceaan over, op naar de liefde. Ja, ik formuleer dat nu maar even zo, omdat woorden als relatie, vriendin, verkering de lading misschien niet dekken en ik er voorzichtig en goed mee om wil gaan. Hoe dan? Nou, met google natuurlijk.
Er zijn veel benamingen voor allerlei stadia waarin een relatie kan verkeren, leer ik online. Voor al deze voor mij nieuwe vormen van rela’s valt veel te zeggen. Als je er niet direct het label van relatie aanhangt, heb je langer de tijd om na te denken wat je wilt en kun je je indekken als je het niet zeker weet. Social media spelen natuurlijk een grote rol, omdat je liefde minder privé is en alles perfect moet zijn en hoe weet je nu wanneer je rela perfect is? Dan is het maar goed dat je de liefde over allerlei stadia uit kunt smeren. Ik lees over een twarrel, een twijfelscharrel, dat is iemand waarmee je regelmatig afspreekt, niet exclusief mee aan het daten bent, maar die potentieel wel tot een rela of prela (pre-relatie, periode net voordat een relatie een relatie wordt) zou kunnen uitgroeien. Een situ (afko van situationship) heb je ook, dat is ongeveer hetzelfde als een scharrel. Twee personen die misschien sex hebben en of romantische gevoelens , maar niet officieel samen zijn. Dan is er nog de ignorela, de ignore relatie. Die komt mij bekend voor. Dat is een relatie die geen relatie wordt genoemd. Toch ziet iedereen in de omgeving dat het een relatie is of gaat worden. De geliefden in kwestie ontkennen het alleen nog voor zichzelf. Of zoals rela E maanden heeft geroepen: ‘If it looks like a duck, swims like a duck, and quacks like a duck, then it probably is a duck.’
Wat mij weer terugbrengt bij het onderwerp van dit stukje: nesten. Toen ik vorige week in Frankrijk was, om het huisje van moeder A winterklaar te maken, vond ik een leeg nest. Ingenieus in elkaar gevlochten takjes, met kleine witte veertjes erin. Uit een boom gevallen. Maar dat gaf niks, het had haar dienst gedaan. Gelukkig zit mijn nest nog lekker vast. Komend weekend komt de eend van mijn oudste kuiken langs. Ga ik lekker wat voor haar bakken. Ze had zin in kwarktaart, zei ze. Me schoondochter.

Clubliefde

Gisteren om 14.30 uur zat ik klaar om naar de tv te kijken en naar de radio te luisteren. Ik had niet eens de tijd om me te ergeren aan de anderhalve minuut vertraging die er tussen beeld (achter) en geluid (voor) liep of het was al 0-1. Hoe het verder met de wedstrijd ging, daar gaat het nu even niet over.
Ik las, keek, luisterde alles wat los en vast zat over het hoe en het waarom van deze inktzwarte dag in de historie van de club. Kinderen hadden gehuild, supporters hadden zich onveilig gevoeld in hun eigen stadion. Waarom trok ik mij dit alles zo aan?
Een dag later wist ik het ineens. Nou ja, zo ineens was het ook weer niet, ik had hardgelopen, er was de nodige endorfine vrijgekomen en ik stond lekker onder de douche uit te hijgen en dan zie je de dingen toch vaak helderder.
Het gaat om clubliefde. Ik zal nooit beweren dat ik een Amsterdammer ben, maar een Ajacied ben ik wel. Ik hou van mijn witroodwitte club. En er zijn heel veel andere mensen die ook van mijn club houden. Mannen bijvoorbeeld die willen dat Marc Overmars terugkomt. En mannen die twee sets kleding en vuurwerk meenemen naar het stadion. Dat vuurwerk gooien ze op het veld, waarna ze onder een spandoek gaan zitten en zich omkleden. Niet herkenbaar als dader, maar wel mooi de wedstrijd gesaboteerd. Mannen die met grof geweld, bij gebrek aan supporters van de tegenpartij – en ik geloof niet dat ik dit schrijf – dan maar de hoofdingang van hun club kapot beuken en er rookbommen naar binnen gooien. Mannen die supporters worden genoemd door de media.
Misschien kan de geest van Rinus Michels ons redden? De zoon van JC? Of de vader van Daley Blind? Ik weet het even niet meer en bovendien, hond M wil naar buiten. Ik trek mijn witroodwitte vest aan en loop de deur uit. ‘Ajax!’, roept een van onze buurjongetjes. ‘Ja’, zeg ik, ‘ik ben nog steeds supporter. En jij?’
‘Tuurlijk’, lacht hij. ‘Altijd.’

Vleugeltjes

{Brieven aan mijn vader en oma}

Ha pap, oma,

Toen ze nog geen week weg was, was het voor mij al tijd om mijn heil bij jullie te zoeken. Bovendien, ik was toch in de buurt en moest hond M uitlaten.
Zijspoor: het is maar welk narratief je voor je verhaal gebruikt. Narratief is sowieso een ongrijpbaar iets. Want hoe vertel je een verhaal, vanuit welke invalshoek schrijf je iets op? Zeg je: de ouders namen hun kinderen mee naar de demonstratie om ze te laten zien hoe belangrijk het is dat de overheid met fossiele subsidies stopt. Of: de politie pakte de ouders van de kinderen die bij de demonstratie waren op, omdat ze hun kinderen in gevaar brachten in verband met de waterkanonnen en schakelde Veilig Thuis in. Wie het weet mag het zeggen.
Ondertussen liep ik op de paadjes en rende hond M over de graven. Ik vond dat eigenlijk niet kunnen, maar niemand die het zag. Alhoewel ik me afvraag, pap, oma, of jullie dat wel oké vinden? Ik denk het niet.
Tegenover je, pap, ligt ene J. Ik vraag altijd of ik even op zijn steen mag zitten. En dan zegt J ja. Ik had een heel verhaal voor je klaar over je kleindochter. Gemis, loslaten, maar er kwam niks van. Ik zat alleen maar. Zag het maisveld, de zonnestralen tussen de oude eiken, van die vleugeltjes die uit de bomen naar beneden cirkelen. Ik hoorde insecten zoemen, vogels fladderden. En hond M lag lekker op het mos. Jij zei ook niks. Lag alleen maar.
Op weg naar jou, oma, liep ik om de grote, rode beuk die in het midden staat. Bovenin begon de herfst al te komen. Voor jou had ik geen verhaal, maar ik was nog niet bij je en ik wist: jij let op haar. Op je achterkleindochter. Net zoals je vroeger op mij lette.
Ik lijnde hond M toch maar aan en kriskraste tussen de stenen door jullie leven uit. Op naar Amsterdam, naar man E, naar de zoon en het bureau van de dochter. Maar eerst nog even langs de kaasautomaat. Ik weet niet of je weet wat dat is pap, oma jij zeker niet. Aan de Tweekarspelenweg, jullie wel bekend, is een boerderij met kaasmakerij. In een grote muur met allemaal kleine hokjes liggen achter deurtjes stukken kaas. Je kiest een stuk, tikt het nummer van het hokje in, betaalt en dan gaat het deurtje open. De kaas smaakt heel lekker en is niet duur. Net wat voor jullie.
Het was fijn pap, oma, tot de volgende keer, smok.

Bang voor rood, geel en blauw

Vriendin M had het al vaker over haar gehad. Over natuurtherapeut F. Ze ging er, met of zonder kinderen af en toe naartoe, vooral in tijden van verdriet. Als ze bij F was geweest voelde ze zich lichter, vertelde ze. Het leek mij maar niks: chakra’s, handen die boven je lichaam zweven… Het leek mij maar alles: herstel van energiebalans, ontspanning…
Dus vorige week ging ik ook. En toen, tja en toen. Dat is moeilijk. Probeer maar eens woorden te vinden voor zielen, vage gevoelens, de dingen tussen hemel en aarde.
Van tevoren had ik een beetje gegoogeld en gelezen dat je lichaam zeven energiecentra oftewel chakra’s heeft. Ze zitten tussen je bekken en je kruin en hebben alle kleuren van de regenboog. Ik was vooral bang voor de gele, die bij je navel zit en over zelfwaardering gaat. Als het daar rommelt, bekritiseer en beoordeel je jezelf. Ook op de rode zat ik niet te wachten. Dat is de eerste, de wortelchakra en als die uit balans is kun je je angstig, rusteloos en onveilig voelen. En nu ik het er toch over heb, de blauwe zat me ook niet lekker. Die zit in je keel en gaat over communicatie. Stroomt ie niet lekker, dan ben je gevoelig voor de mening van anderen.
Tijdens de behandeling – F zette inheemse muziek op en ik moest op mijn rug op een massagetafel liggen – kreeg ik het vlak onder mijn navel heel warm, kwam er hoofdpijn opzetten en had mijn lymfoedeem-arm het zwaar te verduren.
Nadat mijn chakra’s in balans waren gebracht – ik geloof niet dat ik dit schrijf – had ik last van mijn keel. F zei weinig, maar vertelde wel dat mijn chakra’s goed openstonden en dat ze lief, mooi en een rommeltje waren. Daar kon ik het mee doen. Of beter, daar kon ik wat mee.
Thuis vertelde ik er schuchter over. Man E had het over kwakzalverij, met de zoon kwam ik in een vruchteloze discussie over religie en chakra’s terecht en op mijn verjaardagsfeest zoomde iemand in op de ethische aspecten van een natuurgenezer. Zo vond iedereen er weer van alles over. Al die meningen, ze kwamen me de keel uit.