Kwijt

Vorig jaar ben ik twee keer naar de voorstelling Gedeelde smart van Brigitte Kaandorp en Jenny Arean geweest. De eerste keer zat ik alleen in Carré en de tweede keer met moeder A. De naam van het theater is het vermelden waard want ik las net een recensie over de podcast Classy, die gaat over het ongemakkelijke fenomeen klassenverschil en hoe dat doorwerkt in iemands leven, waarbij mijn blik op het woord minderwaardigheidsgevoel bleef hangen. Een gevoel dat hoort bij én uit de provincie komen en opkijken tegen de ouders van het categoraal gymnasium én willen opscheppen dat je het zelf ook maar mooi in die grote stad gemaakt hebt en naar Carré gaan de normaalste zaak van de wereld is. Ik denk, precies waar die hele podcast over gaat. Nou ja, voer voor een ander stukje.
Brigitte zong in die voorstelling een lied over afscheid nemen van haar zoon op Schiphol waar ik om moest lachen en huilen tegelijk:
De twijfel die een moeder teistert
En ook van laat me niet alleen
Ik stortte radeloos ter aarde
Ik riep, mijn hart, toe breek het niet
Maar ja, wij komen uit de polder
Zo zingen wij hier niet

Maar de tranen stroomden mij pas echt over de wangen toen ze Let op haar zong, een lied over haar dochter:
Ik wist dat ze niet voor altijd mijn kleine meid zou zijn
Maar ik wist niet dat ik haar vandaag zo kwijt zou zijn

En al ligt de wereld open
Als je haar ziet lopen
Let op haar
Ze is wijs, ze is verstandig
Maar toch ook nog wat onhandig
Dus let op haar

Ja. Dus. Ik nog een keer naar dat theater waarvan ik de naam genoeg heb genoemd, samen met moeder A, om dat lied nog een keer live te horen. Weer die wangen met die tranen.
Gisteren, bij een post met tien tranentrekkende foto’s van de van-baby-naar-tienerdochter op Instagram, plakte ik die muziek er vetter dan vet onder. En ja, ik weet hoe dat moet een reel maken met muziek. Tenminste dat denk ik. En ja, ik doe mijn best om dit stukje wat luchtiger te maken, maar het lukt even niet. Sterker nog, ik ga het nog wat aandikken:
Het Antoni van Leeuwenhoek ziekenhuis, zo’n veertien jaar geleden. Zes keer, om de veertien dagen, gaan man E en ik naar de afdeling dagbehandeling. Er zijn daar grijze bedden en rode stoelen met veelal kale mensen erin. Er is een inpandige apotheek waar mensen in maanpakken rondlopen. Af en toe komt er iemand uit om een in blauw plastic gehulde verpleegkundige een zak met wit vloeibaar spul of een spuit met rood vloeibaar spul te brengen. Ik zit vijf keer op een grijs bed en één keer in een rode stoel. Uit mijn linkerarm hangt een slang. En ik denk, stond ik alvast maar op Schiphol.

Plaats een reactie