Futuro perfecto

De nestverlater stuurde me een Spaans stukje tekst ter vertaling. Over twintig jaar zal ze kinderpsycholoog zijn en een mooi huis hebben op het platteland met een omheinde tuin waarin haar huisdieren zullen rondrennen. Ze zal Frans en Spaans kunnen spreken en de hele wereld over reizen om die talen te kunnen gebruiken. Ze zal haar familie vaak zien en voor ze koken en ze zal gelukkig zijn. Het ging hier om te laten zien dat ze het gebruik van de futuro beheerst, maar ik zat te peinzen wat als ze écht 38 zou zijn. Zou ze haar werk leuk vinden? Kinderen hebben? En een hondje? Hoe vaak zou ik haar zien? Wat voor band zouden we hebben? Zou ik überhaupt nog leven? Een paar regels tekst en ik ging er in gedachten compleet mee aan de haal.
Ja, dat heb je met schrijfstukjes, één persoon schrijft ze en meerdere personen lezen ze. Een wereld van verschil. De schrijver heeft er wel of geen bedoeling mee en de lezer interpreteert het op eigen wijze.
Over twintig uur zal ik haar weer zien. Ze zal met haar logeerkoffertje bij het busstation staan te wachten. Ze zal me omhelzen en druk beginnen te praten over alles. Ze zal bij me in de Airbnb intrekken. Me haar kamer, haar school, haar supermarkt en lievelingscafeetje, haar Plaza Mayor, tapas- en cocktailbars en het paella restaurant waar ze in haar beste Spaans al een tafel voor ons heeft gereserveerd (mi madre va a visitar el fin de semana, of zoiets, ik beheers de futuro echt niet meer) laten zien. Ze zal, zoals haar naam, stralen, en er zullen ook donkere dingen zijn. En na drie dagen zal ze me op datzelfde busstation weer uitzwaaien.
In gedachten heb ik met haar het hele weekend al beleefd. Voltooid toekomende tijd. Futuro perfecto.

Tekening Luis Mendo

Niet mijn probleem

In twee levens die niet de mijne, maar wel dichtbij zijn, is een toestand gaande. Het zijn niet mijn problemen, maar het raakt mij dat deze toestanden hen moeten overkomen. Als dingen mij raken wil ik dat graag delen met mensen waarvan ik hou. Aandacht zoeken, begrip, een warm bad of hoe je het ook wilt noemen. Vroeger vond ik dat bij oma Barbertje, later bij H en A, de liefste ouders van ex R en nu heb ik thuis een eigen badkuip waarin man E en twee kuikens rondzwemmen en mochten zij niet thuisgeven, dan is er altijd wel een vriendin.
Er zijn ook mensen die als dingen hen raken, dat verzwijgen of ontkennen. Prima, ieder haar eigen manier. Maar je kunt jouw manier van omgaan met dingen niet opdringen aan iemand anders. Als ik dingen wel wil vertellen en delen, kan iemand anders mij niet verbieden dat te doen. Tenzij, in vertrouwen verteld natuurlijk. En andersom kan ik ook niet zeggen dat ze niet goed bezig zijn als ze alles voor zichzelf willen houden, alhoewel ik dat natuurlijk wel vind.
Toch zijn er altijd mensen die hun mening keer op keer aan jou willen opdringen, hun problemen de jouwe willen maken. En waarvan ik keer op keer in de gordijnen én in de fik vlieg. En dat is natuurlijk wél mijn probleem. Waarom vlieg ik jaar na jaar, incident na incident in de fikkende gordijnen als mensen de consequenties van hun eigen gedrag op mij proberen te verhalen? Mijn gedrag willen controleren?
Je kunt toch gewoon je schouders ophalen, denken, ‘niet mijn probleem’ zoals man E mij elke keer weer voorhoudt. Hij kan het mooi zeggen. En dat doet ie ook. Dit weekend nog, had ie het over de paradox van het niet belasten. Als ouder wil je je kind niet belasten. Uit bescherming hou je iets voor ze achter en daarmee richt je dan juist schade aan. Want kind boos, hoezo heb je me dit niet eerder verteld? Aan de andere kant doe je als ouder dingen die je zelf onschuldig vindt, maar waarbij je je kind juist pijn doet. Je doet het dus nooit goed. Ik begrijp ineens niet meer waarom dit een paradox is, maar nogmaals, man E kan het mooi zeggen.
Door al dit gezeik is er geen ruimte meer om het over zeg, de kelderkraker te hebben, of naar welke restaurants de nestverlater en ik komend weekend zouden kunnen. Hoe mooi de mist de Amstel vanochtend maakte, hoe prachtig het romantische en onrechtvaardige verhaal over het Osage volk wordt verteld in Killers of the Flower Moon. Over jarige hond M die een lange duurloop cadeau kreeg en hond B moest en zou trakteren op een jamón Ibérico bot. Of over het innemen van een standpunt inzake het Israëlisch-Palestijns conflict. Nou voorruit, doe ik dat laatste op de valreep nog even en aap Sander Schimmelpenninck na: ‘Ergens je mond over houden, wanneer het niet over jou gaat, of je er geen verstand van hebt, is nog altijd een deugd.’ Kromme zin, rechte praat.

Fernweh

In de laatste aflevering van Oogappels zei een van de opa’s: ‘Het is een mooi woord, heimwee, maar een vreselijk gevoel.’ Dat vond man E mooi en ik had er last van.
Heimwee is een Duits leenwoord en betekent letterlijk het pijnlijke gemis van thuis of wat algemener dat je de geborgenheid en de zekerheid van het bekende mist. Op internet vond ik ook dat Duitsers een woord voor het tegenovergestelde van heimwee hebben: Fernweh, het verlangen naar onbekende situaties. Of een beetje anders uitgelegd, de tegenzin die je kunt hebben als je bijvoorbeeld van vakantie terug naar huis moet. Jammer dat wij zo’n woord niet hebben.
Betekenis, daar gaat het niet om, het gaat over gevoel en zachte zinnen. Die had de nestverlater over heimwee geschreven. Zinnen die gingen over weten dat je ergens niet hoort, en toch blijven gelovenhopendromen dat je vindt wat je zoekt. Vriend J uit de appgroep van de eerste liefdes stuurde het nummer ‘Ik kom weer thuis’ van Isabèl Usher. Best een mooie tekst over Eastpak rugzakken, de FEBO en Johan Cruijff, maar die accent grave op de e in haar naam vond ik eelsk. Eelsk. Te mooi om maar één keer in te typen. De Nederlandse betekenis van eelsk is aanstellerig (K. ter Laan in het Nieuw Groninger Woordenboek), helaas een woord met minder ziel. En een mening die in dit stukje niet thuishoort.
Heimwee, Fernweh, wat heb je eraan? Het is zinloos te verlangen naar mensen en dingen die er niet meer zijn, plekken waar je bent geweest of graag naartoe zou willen. Het gaat alleen om nu. Er is alleen maar nu. Dat zei niet alleen een oma in Oogappels, maar ook de yin-yoga juf (had ik ook graag met een y geschreven, maar wederom ook niet op z’n plek in dit stukje) en zelfs de augurkenkoning van Amsterdam.
Nu? Nu, me reet. Nu wil ik mijn vader bellen, de nestverlater een knuffel geven en een huis in Den Andel op Funda bekijken.

Omnis comparitio claudicat

Een dikke zes weken later lag ik er weer. Op de tafel bij het chakra vrouwtje. Ze zette indianenmuziek op, tenminste het klonk als mannen die geluiden uitstootten en tegelijk ritmisch met hun hand tegen hun mond klapten. Wreef een tijdje in haar handen en deed haar chakra ding. Er gebeurde van alles: ik kreeg het warm in mijn buik, er kwam hoofpijn opzetten en mijn handen en onderarmen begonnen los te raken van de tafel. Bij volle verstand dacht ik, straks zweef ik hier à la een act van Hans Klok echt een paar centimeter boven de tafel. Er gebeurde natuurlijk ook een heleboel niks en na afloop zei het chakra vrouwtje dat ik mijn arm moest loslaten. Alsof ik dat zelf niet wist?! Twee kuikens loslaten, een eend loslaten en ook nog lichaamsdelen loslaten? Ja, duh. Rustig aan. Graag. En ook graag stap voor stap.
Ik leg even uit waarom. Kijk, eerst zat ik alleen in het nest, toen kwam man E aanvliegen, er kwam een kuiken bij en na een dikke twee jaar nog één, twintig jaar later stapte er ook nog een eend in. En nu was mijn dikke linkerarm daar ook nog bijgekomen? Alleen maar, zoals alles in dat nest, om losgelaten te worden? Oh nee, zoals elke, gaat ook deze vergelijking mank.
Hoe dan ook, ik ben natuurlijk zelf het nest. Een nest zonder kuikens, maar met een dikke linkerarm. Nou zo’n nest bedank ik voor.
Het chakra vrouwtje zei ook dat ik nog heel veel liefde te geven had en dat is mooi. Maar ik bleef nog lang bij die arm in dat nest hangen, het glas is tenslotte halfleeg. En omdat het ook nog oktober is, de maand van mijn diagnose, de maand dat we afscheid namen van mijn broer, bleef ik extra lang bij die arm hangen. Om erachter te komen dat vasthouden heel logisch is. Hoe kun je je eigen arm ook loslaten?!
Nog een uitleg: het woekerweefsel en alles wat daar destijds bij hoorde kun je zien als een hele zware, zwarte taart. Eentje die ik alleen op moest eten. Dat heb ik gedaan. Maar de kers die erop zat, die was ik vergeten. Die zag ik pas een jaar of tien later. En toen lustte ik echt niet meer. En nog steeds wil ik ’m niet opeten. Omnis comparitio claudicat. Elke vergelijking gaat mank.
Zo wordt het toch nog een ongezellig stukje. Maar het is deze keer wel één geheel. In tegenstelling tot het vorige, waarin ik per se een quote over een hond en iets in het Latijn wilde frommelen. Een beetje los zand op het einde, daar zou ik wel mee wegkomen. Nou, mooi niet. Vanuit Spanje werd ik op het matje geroepen. De nestverlater legde feilloos haar vinger op mijn zere plek. Dat is wat ze doen, kuikens, of ze nu in of buiten het nest zitten.

Achternaam

Logerend in het huis waar mijn vader nooit had gewoond, viel mijn oog op een bedankkaartje. Dank waarvoor, dat doet er even niet toe, het ging mij om de afzender. Dat was een vrouw met een dubbele achternaam. Ik heb nooit begrepen waarom je, als je gaat trouwen, de naam van je aanstaande man voor die van jezelf zou zetten. Ik vind, je heet nu eenmaal zus en zo en dat zegt veel over wie je bent. Waarom zou je dat veranderen? Overigens, gedachtes over waarom de vrouw wel de naam van de man zou nemen en andersom niet, zijn sowieso doodlopend. En trouwens hoe doen mensen van hetzelfde geslacht die trouwen dat?
Diep van binnen voelde ik een identiteitsdingetje opkomen. Dat zou ik kunnen gaan onderzoeken, overdenken en wat dies meer zij (hier neemt man E het toetsenbord even over). Maar dat stelde ik lekker uit tot later die dag wanneer ik mijn tweede afspraak met het chakra-vrouwtje zou hebben gehad.
Toen man E en ik ons eerste kuiken zouden krijgen, kwam het concept achternaam natuurlijk ook op tafel. Wat zou het worden? Er waren argumenten voor en tegen mijn en mans E achternaam te over. De namen zouden uitsterven, de namen waren niet mooi, zijn naam was handiger omdat nou eenmaal bijna iedereen de naam van de vader kiest, zijn naam zou een bewijs zijn van dat hij de vader was – nou je moet eens kijken op wie ze lijken. Mijn naam zou logischer zijn, het kind kwam immers letterlijk uit mij…
Wij kwamen er niet uit en omdat man E een groter hart heeft dan ik, schonk hij mij de achternaam. En dat is maar goed ook, want die past ook een stuk beter bij kuikens en nesten. Beetje flauw dit. Enfin, ik blij en als bedankje kreeg het eerste kuiken dezelfde initiaal als man E en beloofde ik dat we nooit zouden trouwen, want dat vond hij een gedoe. Ook hier bleek mijn hart weer kleiner dan dat van hem, of beter geniepiger, we trouwden toch en tot op de dag van vandaag moet ik in nieuw gezelschap luisteren naar zijn gekleurde relaas over hoe dat jaren geleden in Las Vegas in zijn werk was gegaan. Kinderen gemanipuleerd met buitensporige bruidstaartproeverijen en limo’s op de Strip. En nee, limo is hier geen afko voor limonade.
Te ver afgedwaald. Het bedankkaartje, de dubbele achternaam. En wat mij fascineerde. De meisjesnaam van de vrouw was en ik verzin dit: Pot. De man met wie ze ooit was getrouwd heette ook Pot. Ze waren van de oude stempel ging ik van uit, zij nam dus zijn achternaam aan, zette ’m voor of achter haar meisjesnaam en heette vanaf het ja-woord Pot-Pot.
‘Als je al Pot heet, waarom zou je dan nog een keer Pot gaan heten?’ schreeuwde ik naar de bedankkaart en dat zei natuurlijk weer meer over mij dan over mevrouw Pot-Pot.
Op dit punt aangekomen had ik graag een bruggetje willen maken naar een van de mooiste zinnen uit ‘Uit het leven van een hond’ wat ik aan het lezen ben, maar ik krijg de connectie niet voor elkaar. Dan maar zonder. Hoofdpersoon Henk kijkt in de ogen van zijn hond Schurk en ziet: ‘(…) de gebruikelijke weemoed, dat hondenverdriet, een onpeilbaar inzicht in de werkelijke stand van zaken (alles gaat voorbij) dat uiteindelijk de bron is van het wezenskenmerk van canis lupus familiaris: de tomeloze levenslust.’