
Het was de dag van pakjesavond. Aan de vogelvoedersilo die aan het vogelvoederstation in onze postzegeltuin hangt, hing een specht. Een grote bonte. Ik bestudeerde ’m niet, maar pakte mijn telefoon om een foto te maken. Weg was ie al.
In de appgroep van de eerste liefdes werden foto’s uit het noorden gepost. Tuinen met sneeuw, kerstbomen vol lampjes. Onze boom stond nog buiten, dichtbij de gevel. Acclimatiseren noemde ik dat. Bloot en scheef hing ie in de kerstboomstandaard. Met druppels van de regen.
De decembermaand. ‘Ik vind het altijd zo’n gezellige periode’, schertste het in diezelfde appgroep. ‘In Spanje zijn veel te veel feestdagen en het is te warm voor kerst’, foeterde de ander. Ik dacht aan mijn kerstservies met de beker waarop een afbeelding staat van een meisje dat een sneeuwpop kust. Nog een dag wachten en ik zou er weer naar kunnen kijken en de zoon zou weer kunnen mopperen dat die beker echt veel te klein was. En om dat te voorkomen zou ik ook een kleinere versie van diezelfde beker voor hem op tafel zetten. Met een kleiner meisje erop, dat een kleinere sneeuwpop kust.
Morgen mocht ik pas de Merry Christmas lichtbak van de bovenste plank uit de berging halen. Nog een etmaal en dan zou ik ’m voor het raam naast de voordeur hangen. 71 Flikkerende lichtjes waarvan 12 stuk, in roodblauwgroengeel met negen verschillende standen, variërend van krijsend tot kalmerend. Ik keek toch even in de berging. In de doos onder de kerstlichtbak zag ik in een doorzichtig zakje de figuren uit de kerststal. Ik hield me in en liet baby Jezus, Maria, Jozef, de drie wijzen, de herder, de os, de ezel en de schapen in een janboel liggen. Nog even wachten en dan zou ik ze allemaal keurig in het gelid in de stal zetten – de dochter en de zoon zouden de traditionele indeling keer op keer ontwrichten – en op kerstavond pas, zou ik baby Jezus in de kribbe leggen. Tot 24 december zouden de zoon en de dochter ’m omstebeurt op de meest onmogelijke plekken in de woonkamer verstoppen. Onder de kerststalfiguren lag de onesie van hond M. Een roodwit fleece geval met rendieren erop. Ook dit jaar zou ik de hond erin persen en zou man E ’m weer bevrijden.
De zaden en noten in het vogelvoederstation waren bijna op. Dat was voornamelijk de schuld van de stadspapegaaien die schijt hadden aan de eetlust van de koolmezen, roodborstjes en vinkjes. Ik vulde het bij. Dat klusje mocht ik vandaag van mezelf wel doen.