
Op 4 mei liep ik een rondje langs de akkers aan de Nieuweweg en het B.L. Tijdenskanaal in Bellingwolde. Na 7 kilometer kwam ik hijgend op de begraafplaats aan. Het was bijna vier jaar geleden, ik wilde de grote rode beuk graag weer eens zien en nou ja gewoon het was er de tijd voor. Voorzichtig ging ik op de rand van het graf ertegenover zitten. De bomen erachter straalden in frisgroen, in de velden ernaast wuifde vers gras. De woorden op de stenen – vader, verbonden, broer, gehecht – bonkten in mijn hoofd. Hier lag de helft van ons oude gezin. Dat waren er echt te veel. Dat vond mijn vader ook, maar ik moest het er van hem maar mee doen. ‘Most moar mit dien moeke op pad goan’, hoorde ik ineens in mijn hoofd.
Ik wilde langer op deze geruststellende plek blijven, ook nog even bij oma Barbertje langs, maar door het hardlopen speelden mijn darmen op. Toen ik de Kerkweg weer op rende, vloog er een Vlaamse gaai langs.
’s Avonds thuis op de bank zapte ik langs het Jeugdjournaal waarin Izak Salomons, 2 jaar toen de Tweede Wereldoorlog begon, vertelde wat hij in die tijd had meegemaakt. Gedeporteerd naar Westerbork, Bergen-Belsen. Koolraapsoep had hij nooit meer gegeten. Dat er ook nu nog elke dag wordt gevochten, daar begreep hij niks van. Kinderachtig vond hij niet het juiste woord om te omschrijven hoe de mensen nog steeds met elkaar omgaan. Kinderen zouden zich immers nooit zo gedragen. Volwassenachtig, dát was pas erg.
De volgende dag vertelde de zoon dat tijdens de derde helft van de wedstrijd Heidrunn – Gerstenat (10-2) de tv in de kantine tegen acht uur switchte van Girona – Barcelona (4-2) naar de Dodenherdenking op de Dam. Tientallen lallende twintigers waren tot tweeënhalve minuut over acht stil geweest. Het had meer indruk gemaakt zei hij, dan al die jaren dat ie thuis met ons op de bank naar de plechtigheid moest kijken. Vond ik nogal kinderachtig.