Vergeefs

Afgelopen weekend las ik ergens iets over de vergeefsheid van het leven. Ik wilde het opnieuw lezen, omdat ik vergeten was wat die vergeefsheid precies betekende. Waar stond het ook weer, wie had het gezegd? Maar ik vond het niet. Ik zocht tevergeefs wilde ik al schrijven, maar deed dat toch maar niet. Wel las ik het interview met Sylvia Witteman, een van mijn favoriete columnisten (eerst Volkskrant, nu Parool) terug waarin ze het heeft over het belang van het dagelijks leven, wat er in de ogen van veel mensen niet toe doet. Zij (en ook ik) vindt juist van wel, aangezien de meeste mensen ‘niet zo gek veel spannende dingen doen. Voor hen is het dagelijks leven het enige leven dat ze hebben.’
Zondag bestond mijn dagelijks leven uit het verschijnen van De Meersche Helden met daarin mijn eerste column (zie hieronder) en het bijwonen met de zoon van de Klassieker. Daar was natuurlijk helemaal niks dagelijks aan.
Ik kocht twee exemplaren van het fanblad en zag tot m’n vreugde mijn naam voorop en tot m’n verdriet een tikfout eronder. Even vroeg ik me nog af of heel die column dan niet vergeefs was geweest, maar al gauw was de clubliefde allesverzengend.
De sfeeractie van de F-side, die een megagroot ‘Voor onze club uit Amsterdam’ spandoek uitrolde, de 010-spelers die uitgemaakt werden voor kakkerlakken en nee ik wilde het niet, maar ja ik deed ook mee en weigerde blijkbaar Feyenoord-spelers op te schrijven. Het scanderen van ‘Brobbeyyyy’ door het stadion na de eerste goal, de spanning die bijna uit onze lichamen barstte na de gelijkmaker, het chagrijn van de gemiste penal en het ontploffen van 56.120 man na de bevrijdende 2-1. De vergeefsheid van het leven was voor even ver weg.

Op naar ’t stadion

Mijn liefde voor het stadion is begonnen bij BV Veendam. Sorry daarvoor, maar ik ben geen geboren Amsterdammer. Eind jaren tachtig promoveerde die club twee keer naar de Eredivisie en kwam Ajax op bezoek om als winnaar (twee keer 0-1) weer terug te gaan naar Mokum. Op Sportpark De Langeleegte – de oudere Ajacieden onder ons herinneren zich vast de kou, de wind die daar altijd waaide – stond daar een elftal op het veld met Van Basten, Bergkamp, Rijkaard, Blind en van ’t Schip. Menzo op goal, Cruyff was coach. Ik wist niet wat ik zag, zeker weten dat mijn hart toen witroodwit begon te kleuren.
Nu, een half Amsterdams leven later, ga ik nog steeds naar het stadion, als Ajacied. Op de fiets naar de JCA waar het nooit waait of kil is. Soms samen met m’n Ajax buurvrouw, soms met m’n zoon (die wel de juiste geboorteplaats in z’n paspoort heeft staan). In één lange witroodwitte sliert gaat het richting de Johan Cruyff Boulevard. We zetten de fietsen op slot aan een lantaarnpaal bij de Ziggo Dome en proberen voor te dringen in de rij voor ingang Zuid. Vertrappen blikjes bier tijdens het wachten. Dan is het zover: het draaihek door, de betonnen trappen op, de overkapte roltrappen, naar de tweede ring waar de dameswc’s altijd vrij zijn. En het mooiste moment: omhoog je vak inlopen en bij elke tree meer kippenvel voelen terwijl de hardstyle van Crazy on the Dancefloor je tegemoet knalt. De basiself en wissels komen het veld op voor de warming-up. Gehuld in prachtig geel-blauw trainingstenue. Ondertussen staat een trots Ajaciedje de bal hoog te houden in de strijd om de Richard Witschge Bokaal.
Als de stadionspeaker de elf namen van onze dapp’re strijders heeft omgeroepen, gaan de hoop en verwachting van de duizenden supporters om ons heen recht het hart in. Striemende fluitconcerten, oorverdovend gejuich, gebalde vuisten, tot het rust is.
Singing, ‘Don’t worry about a thing
’cause every little thing gonna be allright’
Nog één helft roepen, vloeken, meezingen met de F-side en alles beter weten dan Farioli tot het eindsignaal klinkt. De spelers lopen hun ronde om de fans te bedanken en terwijl we de tribune aflopen, de betonnen trappen af, horen we Kees Prins steeds zachter zingen:
Dit is mijn club, mijn ideaal,
dit is de mooiste club van allemaal.
Hier ligt mijn hart, mijn vreugde, mijn verdriet,
het kan dooien, het kan vriezen,
we kunnen winnen of verliezen,
maar een beet’re club dan deze is er niet.

De witroodwitte fietssliert zet zich weer in beweging, richting centrum. Er wordt gelachen, gescholden en driftig nagepraat. Ik verheug me nu al: over veertien dagen mogen we weer.