Aan- en afloop

Zeven weken was ik in training geweest om de 7,5 km lange Run op de Ring van Amsterdam te kunnen volbrengen binnen het uur. Dat was de limiet, had de wedstrijdorganisatie besloten. Zes intervaltrainingen, zeven duurlopen, twee lange wandelingen en twaalf keer fitnessen hadden mij ver gebracht. Er was dik drie kilo van me af en de generale-repetitie-loop ging superslecht, want te warm. Oftewel ik was er klaar voor. Maar spelde voor de zekerheid nog een keer alle e-mails die de organisatie me had gestuurd. Je moest om 8 uur bij de RAI in de pendelbus stappen (moest ik eerst 2,5 km fietsen) die je naar de start in de Watergraafsmeer zou brengen. Dan over de A10 met een lus via de A2 in 7,5 km teruglopen naar de RAI (en dan weer naar huis fietsen). Er zouden veel waterpunten zijn, ook veel muziek en een medaille. M’n Ajax shirt dat witroodwit met m’n startnummer erop gespeld lag te wachten, verheugde zich enorm.
Een dag van tevoren besloot burgemeester F in al haar wijsheid de run te halveren. Met asfalt van 40 graden, nergens schaduw en geluidswallen die alle warmte ook nog eens binnenhielden was dat wellicht een goed idee. Er kwamen nog meer waterpunten en de tijdslimiet gold nog steeds, maar dan voor de helft van de afstand. Ik kon wandelen! En foto’s maken! Misschien wel genieten! Alhoewel mijn Groningse ik ook dacht, kist wel gek wezen, lopen op de snelweg, wat ja hait ja.
Tot zover de aanloop.
Nadat diezelfde F op de startknop had gedrukt, startte ik veel te snel, finishte live op AT5 en na afloop bekeek ik nahijgend op de vangrail samen met vriendin I de foto’s van onszelf bij de hectometerpaaltjes, het maximumsnelheid bord van 100, de afslagen OLVG Oost (speciaal voor moeder A), Overamstel en Rivierenbuurt en de 750 jaar Amsterdam-medaille. Tevergeefs zocht ik naar de extra waterpunten en op de fiets terug naar huis dacht ik aan die ene dj die door z’n microfoon ‘Volgend jaar pakken we de schaal’ had geroepen, hoe bizar het was dat de pendelbussen spookreden en hoe lang in- en uitvoegstroken eigenlijk waren. Thuis kleedde ik me snel om en toog met man E weer naar het asfalt waarop wij nog zo’n 15 kilometer liepen. We zagen 750 bomen en nog meer dixies, Amsterdamse raketjes, schaakborden, mensen op skeelers, bruiden, blazers, festivalgangers die bokje sprongen en tegen de vangrail aan plasten, bingokaarten, een zwaar katholieke F-Sider, een beachvolleybal veld, een kruk met Peter Beense erop en duizenden plakkerige en vrolijke mensen.