Muur- en muurvast

Het is 25 jaar geleden dat m’n broer overleden is. Omdat ik m’n liefde voor hem wil laten leven en de herinnering aan hem koester, post ik de komende dagen fragmenten uit m’n dagboek uit die tijd. Dit is het laatste.

De mensen van de begrafenisonderneming schuiven m’n broer de auto in. Achterin. Hij had vast liever voorin gewild. M’n ouders, hun partners, E en ik rijden achter de auto aan. In de tussentijd past er een mevrouw op het huis. Het schijnt dat inbrekers rouwadvertenties lezen en tijdens de uitvaart hun slag slaan. Om dat te voorkomen kun je iemand inhuren die op je huis past. Op aanraden van E heeft mijn vader deze ‘service’ er gratis bij bedongen.
In het rouwcentrum doen we voor de dienst begint de kist dicht. De begrafenisondernemer pakt de deksel en legt ’m op de kist. Waarschijnlijk neemt iedereen nu echt voor het laatst afscheid, maar daarvan herinner ik me niks. We mogen de schroeven in de kist draaien en ik draai als een bezetene. Dat is nu van het allergrootste belang. De twee schroeven bij mij in de buurt moeten muur- en muurvast. Omdat dat het laatste is wat ik voor hem kan doen misschien?
R leest het verhaal van hem en m’n vader voor, Heleentje Gereed zingt, ik doe m’n verhaal, ex R zingt Lekkerroek en m’n moeder en A speechen ook. Ergens in de menigte gaat een telefoon. Met een stem als m’n broer roep ik keihard: ‘Telefoon!’ Iets wat ik in het echte leven nooit zou durven.
Dan rijden we van Zuidlaren, via Veendam, Nieuwe Pekela, Oude Pekela naar de Hoofdweg van Bellingwolde. Extra langzaam gaat het bij nummer 104 waar we allebei zijn geboren en nummer 98 waar we lang op de boerderij hebben gewoond. Achterin het dorp bij de kerk luiden de klokken al. Als we bij het graf zijn aangekomen, kan wie wil aarde op de kist gooien. De bewoners van het tehuis krijgen daar geen genoeg van. Ze blijven maar met aarde smijten.
Na afloop proosten we met port, cola en cassis op z’n leven. De familie en vrienden zijn lief. Er wordt getroost, gelachen en vastgehouden. Als alles alles alles voorbij is stappen E en ik in de auto. We gaan samen naar huis.

*Het schilderij is van Rita Dokter Wolf

Vier-uur-bezoek

Het is 25 jaar geleden dat m’n broer overleden is. Omdat ik m’n liefde voor hem wil laten leven en de herinnering aan hem koester, post ik de komende dagen fragmenten uit m’n dagboek uit die tijd.

E en ik gaan voor een nachtje terug naar Amsterdam. Op de deurmat ligt post van S. Hij heeft prachtige vakantiefoto’s van afgelopen zomer in Branceilles gestuurd. De levensvreugde spat er vanaf.
Ik wil naar ‘As the world turns’ kijken, maar vind er niks aan. Dit is de eerste keer in al die jaren dat ik naar de soap kijk dat ik denk: waar maken die mensen zich aldoor zo druk over?
De volgende ochtend gaan we weer terug naar De Groeve. We verwachten veel mensen die op condoleance komen. Om 16.00 uur komt het eerste bezoek: alle bewoners en de leiding van het tehuis. De bewoners zijn nogal druk en confronteren mij met het feit dat m’n broer ook ‘zo’ was. Als je dood bent, zie je dat gelukkig niet meer. Ik vlucht een tijdje weg naar boven.
Terug bij het bezoek drinkt een meisje cola. Dat doet ze expres zegt ze, omdat m’n broer dat ook altijd dronk. In kleine groepjes gaan alle bewoners bij m’n broer kijken. De drukke sfeer slaat om. De bewoners die hebben gekeken, zijn nu stil of moeten huilen. Er is één man met een pet op die bij het zien van m’n broer de pet direct voor hem afneemt. Als ze klaar zijn met huilen en stil zijn, beginnen ze moeiteloos weer met de dagelijkse routine: ‘Wat eten we vanavond?’ Om die eenvoud begin ik te huilen en meteen komt een bewoner me troosten.
Vanaf 17.00 uur komt de familie, vrienden, buren. M’n opa is er ook, samen met hem en m’n vader ga ik naar de kist. Drie generaties. Ik kan me niet voorstellen hoe het voor een opa moet zijn. Hij reageert precies zoals m’n vader: ‘Wat ligt e d’r mooi bie.’ De vrouw van een van m’n neven is ontroostbaar. Ze houdt niet op met huilen. R zegt dat ze eigenlijk tegelijk met het bezoek van 16.00 uur had moeten komen. En zo is er een nieuwe term geboren: ‘vier-uur-bezoek’.
Het stoort me dat m’n ouders zich nu ineens weer als twee-eenheid op mij richten. Er kunnen dan wel allerlei positieve kanten aan deze verzoening zitten, ik moet er ook erg aan wennen. Ze zijn heel stellig en overtuigend in hun manier van communiceren en nu moet ik daar ineens 1 tegen 2 tegenop boksen. Dat was makkelijker toen ze nog niet on speaking terms waren. Boos en geïrriteerd ga ik bij m’n broer zitten. Ook al is hij verstandelijk gehandicapt en nu ook nog dood, hij is de enige die me begrijpt. Onze verhouding als zus en broer is gelijkwaardig. Hele verhalen vertel ik hem: dat onze ouders gek zijn, dat ik een boek over hem ga schrijven en dat ik het zo niet langer kan volhouden en dat we hem daarom morgen naar Bellingwolde gaan wegbrengen. Hij begrijpt alles.

Heleentje Gereed

Het is 25 jaar geleden dat m’n broer overleden is. Omdat ik m’n liefde voor hem wil laten leven en de herinnering aan hem koester, post ik de komende dagen fragmenten uit m’n dagboek uit die tijd.

Als ik beneden kom, zitten m’n ouders al aan tafel met de begrafenis-ondernemer. Hij ziet er zelf uit als een lijk: een grauw gezicht, grote wallen en kringen onder z’n ogen. Welke kist, wat voor bloemen, welke kaart, advertenties in het Groninger Dagblad, Nieuwsblad van het Noorden, moeten de klokken geluid? Eens zijn we het. Overal over. M’n vader wil een dubbel graf, ook alvast voor zichzelf. In Bellingwolde is dat eeuwigdurend en kost het 1600 gulden.
E en ik gaan boodschappen doen in Zuidlaren (AH – rijst vergeten -, drankenzaak en sigarenboer) en op een terras bel ik ex R om te vragen of hij tijdens de dienst wil zingen. Dat wil ie.
Als we weer thuis komen, is m’n broer dat ook. Hij ziet er mooi uit. Hij is het echt. Ik zet z’n horloge op de juiste datum en tijd. Ik ben blij dat dat ding gewoon doortikt.
Voor de rest gaan veel dingen langs me heen. Alles voelt als een waas. Alsof je er zelf niet echt bij bent.
’s Avonds na het eten – nasi, R is nog rijst gaan halen – gaat het nog weer even over de muziek. Ik wil in ieder geval een nummer van Helen Reddy waar we vroeger op de boerderij altijd naar luisterden. Heleentje Gereed.

Scherven brengen geluk

Het is 25 jaar geleden dat m’n broer overleden is. Omdat ik m’n liefde voor hem wil laten leven en de herinnering aan hem koester, post ik de komende dagen fragmenten uit m’n dagboek uit die tijd.

Eén piepkleine glimp maar. Eén fractie van één seconde. Die kleur. Die vreselijke kleur van de dood. Die snoeiharde stilte. En dan komt E de ziekenhuiskamer binnen en doet z’n armen om me heen.
M’n vader, m’n moeder, hun partners, E en ik. Met z’n zessen zitten we een tijdje rond het bed. Dan komt er een arts langs die, ja wat moet die eigenlijk nog? Ons wordt gevraagd even naar de familiekamer te gaan. Maar dat wil niemand. Mijn ouders willen port en roken. Het oude gezinsgevoel komt boven: wij bepalen zelf wel hoe we de boel aanpakken. En dus gaan m’n ouders naar buiten te roken en halen E en ik glazen uit de ziekenhuiskantine. Als we geen colaglas meenemen, stromen m’n tranen alweer.
En toch is het mooi, met z’n allen zitten we om z’n bed en proosten we.
M’n vader vraagt m’n moeder waar we m’n broer nu heen brengen. Zij stelt voor dat hij bij ons in De Groeve komt. Dat vindt m’n vader geweldig en ook zijn ze het gelijk eens dat hij in Bellingwolde begraven moet worden.
M’n moeder en ik zoeken in de kleding die hij mee heeft naar het ziekenhuis of er iets geschikts in zit. Maar helaas. Ik ruim z’n spullen uit de badkamer op: douchegel, scheerschuim, lekkerroek. En ga weer plassen. Heel gek om nog geen twee meter van iemand die er niet meer is, op de wc te zitten.
Dan is het tijd om te gaan. E slaat met z’n jas een glas van tafel en m’n vader zegt: ‘Scherven brengen geluk.’
M’n broer blijft bij de scherven, m’n vader en R gaan een begrafenisondernemer regelen en wij gaan naar het tehuis om kleding uit te zoeken: een blauw spijkeroverhemd, een T-shirt uit Sint Maarten wat ie nog van papa heeft gekregen, een striepkoorn boxem, een best wel hippe onderbroek, en sokken waarop ‘Hi I’m 30’ staat.
In De Groeve heeft m’n vader al een foto op de schoorsteenmantel gezet, twee kaarsen branden ernaast. Morgen komt m’n broer thuis.

Niet nodeloos rekken

Het is 25 jaar geleden dat m’n broer overleden is. Omdat ik m’n liefde voor hem wil laten leven en de herinnering aan hem koester, post ik de komende dagen fragmenten uit m’n dagboek uit die tijd.

’s Morgens gaan E en ik naar de IKEA om fotolijstjes te kopen. Idioot, maar ik wil nu dingen doen die ik leuk vind en dat is blijkbaar foto’s inlijsten. Daarna vertrekken we naar Den Haag waar we vriendin I ophalen en gaan wandelen in Meijendel. Lekker de natuur in, de duinen, het bos, de zee. Het is erg warm voor de tijd van het jaar. I praat veel over haar werk en ik luister nauwelijks, ben in mezelf gekeerd. Toch is de wandeling heerlijk en verdwijnt m’n hoofdpijn. I voelt dichtbij.
Weer thuis bel ik De Groeve. M’n ouders blijken allebei nog in het ziekenhuis te zijn omdat m’n broer hersenvliesontsteking heeft. Weg rust, weg energie, weg alles. We zullen gegeten hebben, we zullen zijn gaan slapen…
Volgens E die dit stukje leest, is dit allemaal al gisteren gebeurd en hebben we na Den Haag helemaal niks meer gedaan, alleen wat tv gekeken en redelijk op tijd naar bed. Vreemd dat ik de dagen door elkaar haal. Ik weet wel hoe ik me voel, maar ik weet niet welk gevoel bij welke dag hoort.

Een dag later gaat in het begin van de middag de telefoon. M’n vader zegt dat het slechter gaat en dat het verstandig is om vanavond wel op het bezoekuur te komen. Hij kan mama niet bereiken. Ik probeer het op haar vaste nummer en mobiel, maar ook geen gehoor. Tien minuten later belt m’n vader alweer, we moeten direct komen.
Ik laat m’n broodje kaas vallen en ga als een gek de meest vreemde dingen inpakken. Ook ruim ik de fotolijstjes die overal verspreid op de vloer liggen op. En denk maar één ding: m’n moeder moet het weten voor we naar het ziekenhuis in Emmen vertrekken.
Gisteren heeft ze laten vallen dat ze naar het Concertgebouw zou met A. Op hun koelkast hangt een overzicht met culturele uitjes, dus E en ik rijden naar hun huis en zien dat ze inderdaad vanmiddag in het Concertgebouw zijn. E belt daarnaartoe, krijgt een bedrijfsleider aan de telefoon die zegt dat hij er alles aan gaat doen om hen te waarschuwen. Ondertussen pak ik chaotisch spullen in voor m’n moeder en A: kleren, schoenen, sigaren, port…
M’n vader belt weer, hij moet een beslissing nemen over wel of geen bloedverdunners die het leven van m’n broer kunnen rekken. Hij heeft bovenop de hersenvliesontsteking ook nog een longembolie gekregen. M’n vader wil die beslissing samen met z’n ex nemen, maar dat kan dus niet. Hij vraagt of E en ik alvast kunnen komen, terwijl ik eerst m’n moeder uit het Concertgebouw wil halen. Zo sterk heb ik nog nooit tussen m’n ouders in gestaan.
E en ik racen naar het Museumplein, pikken A en m’n moeder op en ik duw de telefoon in haar handen. Gelukkig kunnen m’n ouders samen wat dingen bespreken: geen bloedverdunners, niet nodeloos rekken.
A moet naar de wc en we stoppen bij een tankstation. Het lijkt een eeuwigheid te duren. Hoe dichter we bij het ziekenhuis komen, hoe meer ik voel hoe nodig ook ik moet plassen. M’n vader staat buiten bij de hoofdingang. M’n moeder en ik gaan naar ’m toe en hij zegt: ‘Hij is overleden, om 17. 35 uur.’
Het is nu 17.53 uur. M’n moeder stormt naar binnen. Ik troost mijn vader en ga dan naar de wc. Al plassend blijf ik maar denken: ‘M’n broer is dood, m’n broer is dood, m’n broer is dood. Ik hou er niet mee op en wil er niet mee ophouden.