Vier-uur-bezoek

Het is 25 jaar geleden dat m’n broer overleden is. Omdat ik m’n liefde voor hem wil laten leven en de herinnering aan hem koester, post ik de komende dagen fragmenten uit m’n dagboek uit die tijd.

E en ik gaan voor een nachtje terug naar Amsterdam. Op de deurmat ligt post van S. Hij heeft prachtige vakantiefoto’s van afgelopen zomer in Branceilles gestuurd. De levensvreugde spat er vanaf.
Ik wil naar ‘As the world turns’ kijken, maar vind er niks aan. Dit is de eerste keer in al die jaren dat ik naar de soap kijk dat ik denk: waar maken die mensen zich aldoor zo druk over?
De volgende ochtend gaan we weer terug naar De Groeve. We verwachten veel mensen die op condoleance komen. Om 16.00 uur komt het eerste bezoek: alle bewoners en de leiding van het tehuis. De bewoners zijn nogal druk en confronteren mij met het feit dat m’n broer ook ‘zo’ was. Als je dood bent, zie je dat gelukkig niet meer. Ik vlucht een tijdje weg naar boven.
Terug bij het bezoek drinkt een meisje cola. Dat doet ze expres zegt ze, omdat m’n broer dat ook altijd dronk. In kleine groepjes gaan alle bewoners bij m’n broer kijken. De drukke sfeer slaat om. De bewoners die hebben gekeken, zijn nu stil of moeten huilen. Er is één man met een pet op die bij het zien van m’n broer de pet direct voor hem afneemt. Als ze klaar zijn met huilen en stil zijn, beginnen ze moeiteloos weer met de dagelijkse routine: ‘Wat eten we vanavond?’ Om die eenvoud begin ik te huilen en meteen komt een bewoner me troosten.
Vanaf 17.00 uur komt de familie, vrienden, buren. M’n opa is er ook, samen met hem en m’n vader ga ik naar de kist. Drie generaties. Ik kan me niet voorstellen hoe het voor een opa moet zijn. Hij reageert precies zoals m’n vader: ‘Wat ligt e d’r mooi bie.’ De vrouw van een van m’n neven is ontroostbaar. Ze houdt niet op met huilen. R zegt dat ze eigenlijk tegelijk met het bezoek van 16.00 uur had moeten komen. En zo is er een nieuwe term geboren: ‘vier-uur-bezoek’.
Het stoort me dat m’n ouders zich nu ineens weer als twee-eenheid op mij richten. Er kunnen dan wel allerlei positieve kanten aan deze verzoening zitten, ik moet er ook erg aan wennen. Ze zijn heel stellig en overtuigend in hun manier van communiceren en nu moet ik daar ineens 1 tegen 2 tegenop boksen. Dat was makkelijker toen ze nog niet on speaking terms waren. Boos en geïrriteerd ga ik bij m’n broer zitten. Ook al is hij verstandelijk gehandicapt en nu ook nog dood, hij is de enige die me begrijpt. Onze verhouding als zus en broer is gelijkwaardig. Hele verhalen vertel ik hem: dat onze ouders gek zijn, dat ik een boek over hem ga schrijven en dat ik het zo niet langer kan volhouden en dat we hem daarom morgen naar Bellingwolde gaan wegbrengen. Hij begrijpt alles.

Plaats een reactie