Scipflap

Samen met man E toog ik naar het zuiden. Hij reed door naar Luxemburg voor AI Agents, portfolio management, machine learning en andere zaken, ik bleef halverwege achter in Maastricht. Alwaar in het ziekenhuis nieuwe mogelijkheden waren om die vervloekte lymfoedeem arm te behandelen. Ik had de afsprakenbrief én -mail weggegooid en kon me dus niet met een streepjescode aanmelden bij de daarvoor betreffende zuil. De verpleegkundige achter de balie kon dat wel, verstaan deed ik haar niet. Ze legde me uit waar de wachtkamer was: ‘Es se aon ’t ind vaan de gang rechs drejs en daan weer rechs, kins se dao wachte.’ Dat was weer eens wat anders dan het Friese gebrabbel waar ik bij de halfjaarlijkse controles in het ziekenhuis in Drachten chocola van probeer te maken. De arts-assistent gaf me een slap handje, sprak Nederlands en legde me aan een apparaat dat het verschil in vocht in de linker- en rechterarm kon meten. Om beide enkels en polsen plaatste ze een soort klemmen en toen moest ik drie minuten heel stil liggen. In Friesland moet je beide armen omstebeurt in een bak water doen, waarbij ze de overloop van het water meten. Dit was dus het verschil tussen een streek- en een universitair ziekenhuis. Het ging weer eens om geld. In de ene arm zat bijna 300 ml meer vocht dan in de andere. Een flink glas wijn (twee eigenlijk). Tot zover geen nieuws.
Na de meting spoot de arts-assistent contrastvloeistof in m’n hand en weer even later kon ik op een beeldscherm zien dat geen enkel lymfevat in m’n arm het nog doet. Nog steeds niks nieuws. Mijn arm viel in stadium 4 of 5, maar dat was niet erg. Ik kwam in aanmerking voor een SCIP flap. In goed Engels een Superficial Circumflex Iliac artery Perforator flap. Oftewel ze halen een stuk huid inclusief lymfevaten uit je lies en flappen dat in je oksel. De kans op het nooit meer dragen van een armkous was een derde, op af en toe een kous ook een derde en die laatste derde was voor gewoon nog steeds altijd een kous aan. Ook de kans dat de arm dunner zou worden was een derde. Dit was gelukkig nieuws. Zeker weten dat ik zo’n flap zou laten doen.
Toch moest het ook bezinken. Dat hoort nu eenmaal zo. De dingen moeten verwerkt, een plek krijgen of bezinken. Dus, in de treinreis terug naar Amsterdam begon ik druk te bezinken, tegelijk breiend aan m’n witroodwitte sjaal. Dat ging zo door tot we bij station Lichtstad stopten en ik vol chagrijn dacht: ‘Zij een schaal, ik een sjaal.’
Afgelopen weekend, na het debacle tegen nota bene de FC toen Grim het veld moest ruimen, had ik nog een app gekregen van lampje F: ‘Jullie zijn wel koploper versleten trainers.’ Ik wilde ’m nog een foto sturen van m’n breiwerk met op de achtergrond het bord met de plaatsnaam van het station, maar zette m’n tanden toch maar in een muffin en ging weer verder met bezinken. Dat ging moeizaam. Want hoe doe je dat, een tijdje nadenken over informatie, zodat het tot je doordringt en je een heldere kijk krijgt?
Om het bezinken wat soepeler te laten verlopen én tegelijk het Ajax trauma wat te verdoven, kocht ik op station Amstel een fles wijn. 750 ml zat erin. Anderhalf keer zoveel als in m’n arm. Tweeënhalf glas maar. Net genoeg voor een heldere kijk.