Lethargisch

Ik had net de poep van hond M met het daarvoor dienende zakje opgeraapt toen ik langs de kant van de weg een klusbus zag staan. De deur stond open. Aan de binnenkant had iemand een sticker van Feyenoord geplakt. De bijbehorende klusjesmannen deden iets onnavolgbaars met slangen en buizen en leidingen. Ik bedacht me geen moment, opende het zakje bij de losse knoop en smeerde de poep over de sticker uit. Tja, moet je je ook maar niet in Amsterdam vertonen met zo’n weerzinwekkend logo.
Mensen denken vaak dat alles wat ik in deze stukjes schrijf waar is, of op z’n minst een kern daarvan bezit. Daar vragen ze ook wel eens naar. Maar het is niet relevant. Alles is waar en alles is gelogen. Aangedikt, veranderd, opgepimpt of met behulp van Chat gemaakt of erger. Dat is nou juist de gein. Maar goed, een stukje is wel de laatste plek waar je de eventuele betekenis van een stukje moet gaan uitleggen. Uitleggen, zou je sowieso niet moeten willen.
Op gang komen. Zo had de titel van dit stukje moeten luiden. Omdat ik vond dat ik dat moest. Maar er kwam geen woord. Terwijl, er was zoveel dat op gang moest komen: mijn zoveelste afvalpoging, het nieuwe kabinet, Jordi…
Uitstellen ligt me beter. Lethargisch op de bank hangen en tig afleveringen van Everwood bekijken. Een beetje breien aan m’n witroodwitte sjaal, tegelijk luisterend naar de Branie podcast waar elke week m’n Ajax chagrijn mee wordt gevoed. En ondertussen worden de wandelschoenen niet ontmodderd, de espresso-machine niet ontkalkt, de pagina’s van een boek niet geschreven en vogelhuisjes niet schoongemaakt.
In een podcast met Gijs Groenteman heeft cabaretier Alex Ploeg het ook over lethargie. Niks doen is volgens hem een soort van verslaving waarmee je jezelf kunt uitschakelen. Stel je gaat je kleren opruimen, dan moet je daarna ook de was doen, en de afwasmachine uitruimen, het gras maaien… dus je begint maar nergens aan. Tot iemand tegen ’m zei: ‘Je kunt jezelf ook een dag vrij geven. Dan hoef je niks te doen.’ Dat werkte. Juist omdat ie niks hoefde te doen, ging ie toch wat doen. Mooie mindfuck. Daar trap ik lekker niet in. Alhoewel, dat uitsmeren van die poep heb ik gelukkig niet uitgesteld.

Geboren

‘Daar gaan we weer,’ reageren de zoon en de dochter elk jaar rond eind januari en half juni als ik ze voor de tigste keer het verhaal van hun geboorte ga vertellen. Maar het kan niet anders. Hoe kun je op de verjaardag van je kind nu niet terugdenken aan zijn of haar geboorte? Moeder A doet het na 57 jaar ook nog steeds. Elk jaar hetzelfde lied. Over dat de gordijnen aan de Hoofdweg in Bellingwolde dicht waren. En dat haar ouders langs waren gereden en dat hadden gezien en haar moeder had gedacht dat het nu wel eens zover zou kunnen zijn. Dat ze 14 dagen over tijd was, nog één dag en we hadden naar kraamkliniek Huize Tavenier in Groningen gemoeten en dan was dat mijn geboorteplaats geweest.
Dus, ook ik, elk jaar opnieuw, hetzelfde lied. Dat eind januari de bami van de dag ervoor eruit kwam, dat het vruchtwater op de vloerbedekking stroomde en man E me gauw op het keukenzeil trok, dat hij een boterham met pindakaas ging eten en ik die geur niet kon verdragen. Dat ik dacht aan de golven bij Maspalomas en oma Barbertje en dat zij me er wel doorheen zou slepen. Maar voor- en bovenal aan het jongetje dat helemaal gezond was. En meteen begon te plassen toen ie z’n vader zag.
En half juni gaat hetzelfde lied over de snelheid waarmee alles ging. Aan man E die de klossen nog onder het bed moest schuiven en allerlei kraamverzorgtaken moest uitvoeren, dat ik verkeerd om in bed moest liggen omdat de verloskundige er anders niet goed bij kon, dat ik net de tijd had om aan oma Barbertje te denken en aan het navelstrengetje dat niet goed zat. Maar voor- en bovenal aan het meisje dat helemaal gezond was. Maar niet meteen gekust kon worden door haar vader omdat ie een koortslip had.
Ja, hoe kun je daar nu niet elk jaar opnieuw bij stilstaan? Vanavond als we met z’n vieren uit eten gaan, ga ik het er voor de 23e keer over hebben. Dan kijk ik vol verwondering naar de zoon. Een jonge man. Berekenend en vol vertrouwen.
En half juni als we met z’n vieren in een restaurant zitten, doe ik het voor de 21e keer. Dan kijk ik vol verwondering naar de dochter. Een jonge vrouw. Eigenzinnig en vol overtuiging.
Mocht mijn ideale toekomstbeeld uitkomen, dan weet ik zeker wat de kleinkinderen zullen zeggen als hun vader of moeder het verhaal van ‘toen ze werden geboren’ vertellen: ‘Daar gaan we weer.’

Laatste stralen

{Brieven aan mijn broer}

Hé broer,

Ja, dat werd wel weer eens tijd dat je wat van me hoort. Ik wilde het even met je hebben over tante A. Want ze is nu bij jou. Ja dat is verdrietig, maar voor jou misschien wel niet.
Weet je nog dat je vroeger toen we in Bellingwolde woonden bij papa en mama, dat je dan zelf naar haar en oom M liep? Zij waren de enige mensen waar je helemaal alleen naartoe mocht. Ze woonden drie huizen verderop, aan dezelfde kant van de straat en als je netjes naast de weg bleef lopen, was het veilig. Eerst langs de wei waarin de schapen graasden, dan langs het huis van bakker A, dan nog een huis en dan was je er al.
‘Op het zand blijven’, riep papa je altijd na.
Ik denk, je kreeg daar vast wat lekkers elke keer als je langs ging. Want tante A was altijd superlief. Misschien kreeg je bojo of kokostaart of anijskoekjes. Vast iets Surinaams, want daar kwam ze vandaan. Bij ons in het dorp was dat toen nieuw, mensen die een andere kleur hadden dan wij. Ik weet nog dat toen je voor het eerst nicht S zag, je haar zachtjes over haar wang wreef om te voelen aan haar kleur. Dat kan je natuurlijk niet doen, maar dat kon jij niet weten.
Toen we ouder waren praatte ik vaak op familieverjaardagen met tante A. Dan luisterde ze vooral en door niks te zeggen begreep ze alles. Ook toen papa net was overleden en ik begon te huilen toen oom M binnenkwam. Met net zo’n motoriek en net zulke armen als papa. Toen zag ze dat. Oh, je weet natuurlijk niet wat motoriek betekent, het is iets met bewegen.
Vandaag appte R een foto waarop ze met neef D en oom M op een bankje in Griekenland zat. Oh, je weet natuurlijk ook niet wat appen is, nou ja laat maar, dat is nu echt even te lastig om uit te leggen. Die foto was kortgeleden gemaakt, ze waren op bezoek bij neef D en z’n vrouw die daar nu wonen. De zon ging net onder en de laatste stralen schenen nog uitbundig op de achterkant van haar hoofd. Het leek wel of ze licht gaf.
Nou broer, ik hoop dat je haar snel ziet. Je kunt gewoon alleen naar haar toe lopen, ze maakt zeker weten een kop koffie voor je. Wel op het zand blijven hè?

Dikke kus van je zus

*afbeelding is een uitsnede uit een schilderij van David Hockney

Cobra’s en balaclava’s

Op de Utrechtsebrug kwam ik weer iets tegen wat ik niet begreep, maar waar ik wel wat mee moest. Als ik eerlijk moet zijn, grijp ik deze dagen echt alles aan om mijn aandacht van Ajax af te leiden. Afgelopen zondag zaten man E en ik in het stadion, in de buurt van de cornervlag naast de vandalen. We konden de cobra’s en balaclava’s goed zien, nou ja zien… Al na vijf minuten werden we volledig omhuld door de mist.
Even tussendoor: cobra’s en balaclava’s, dat lijkt wel de titel van een carnavalshit.
Nog even tussendoor: carnavalshit is dan weer een woord dat je op twee manieren kunt uitspreken.
Oké, terug naar het stadion van waaruit we na de tweede lading bommen veel te vroeg weer naar huis fietsten. Ik las en luisterde alles wat er maar over gezegd werd, maar ik schoot er niks mee op. Het verdriet om de teloorgang van m’n club bleef. Tegelijk met het onbegrip waarom ik er maar naartoe blijf gaan. Ik heb weinig vertrouwen in het elftal (op één lichtpuntje te weten Bounida na) heb niks met de aandeelhouders, ben bang voor de criminelen en heb een hekel aan de bestuurders die er alles aan doen om het nog erger te maken dan het al is. En toch en toch en toch. Gevalletje witroodwit bloed kruipt waar het niet gaan kan. Of zo.
Ja, de Utrechtsebrug, daar begon het mee. Daar hing, netjes vastgeklikt aan de reling, een helm met het logo van Thuisbezorgd erop. Had iemand ’m gevonden en een soort van opgeruimd? Maar hoe vergeet of verlies je zoiets groots als een helm? Was de bezorger het helemaal zat om dat ding op te hebben na een lange dag van hot naar her rijden? Had ie op de brug even pauze genomen, zijn helm afgedaan – zijn helm, ja, want ik heb nog nooit een vrouwelijke thuisbezorger gezien – om, ja om wat? Op z’n hoofd te krabben? Zich onderwijl afvragend hoe ie verder met z’n leven moest?
En wie was eigenlijk de eigenaar van de helm? Moest je als je bij Thuisbezorgd werkte ’m zelf aanschaffen of hoorde de helm bij de bedrijfskleding?
Te veel vragen
en de antwoorden
die zijn er niet
Omdat ik er niet uitkwam vroeg ik het maar weer eens aan Chat die met onbevestigde hypotheses kwam. Het was een grap misschien of een statement, of kunst of een protest, urban folklore wellicht.
Niks waar ik wat mee kon. Het kwam allemaal weer eens neer op dezelfde vraag: Wat was dat toch voor hardnekkigs, dat gezoek naar antwoorden die je niet kunt vinden? Lopend met hond M langs de Weespertrekvaart zag ik ineens de tegeltjeswijsheid voor me die boven het kacheltje van ons huisje in Frankrijk hangt: het is wat het is. Of was het toch een andere wijsheid?  

White Lies Party

In het Oeverbos naast de Amstel waar ik met hond M liep, lag een nat wit T-shirt op een boomstam. ‘Ik heb niet de broer-zus band verbroken (2x)’ stond erop. Vooral dat (2x) intrigeerde me. Was het een regel uit een lied, dat twee keer gezongen moest worden? Hoorde de zin in een gedicht thuis en werd het herhaald? Of was de zin gewoon te lang om twee keer op een shirt te schrijven? En wat bedoelde de schrijver er mee?
Thuis vroeg ik het aan Chat, die me vertelde dat het een regel was uit het gedicht ‘Aan mijn zus’ van ene Guus Houttuin. Het gedicht zou gaan over de bijzondere band tussen broers en zussen en hoe die band onverwoestbaar is, zelfs als ze elkaar lange tijd niet spreken. Chat, wars van emoties, vroeg ook nog of ik kon verduidelijken wat ik precies bedoelde met nat, wit shirt en broer-zus band. Maar dat kon ik niet. Wel was duidelijk dat ik hier iets mee moest. Maar wat?
Op internet zocht ik verder naar het gedicht en de schrijver, maar vond niks.
Misschien moest ik het meer op mezelf projecteren? Had ik de band met m’n broer niet verbroken of had hij dat niet gedaan? Nou, hij had ‘m wel verbroken, ook al was het niet expres. Eerst toen ie gehandicapt bleek en we dus geen normale broer-zus band konden ontwikkelen en later nog een keer toen ie dood ging en er helemaal geen relatie meer was. Of was dit te cru en had ik die band verbroken, door daar niet mee om te kunnen gaan? Twee keer.
Nee, dit sloeg allemaal nergens op, ik moest het eenvoudiger houden. Het shirt lag vlakbij roeivereniging Skøll, waarvan de zoon lid is. Misschien had een student het aan gehad tijdens een borrel waar ook broers en zussen van leden welkom waren? Het was een optie, maar wat een vreemde tekst voor een gezellig feestje.
Daar kwam de zoon al aan voor koffie. En ja hoor, hij wist meteen wat ik bedoelde. Het ging hier over een White Lies Party. Iedereen draagt tijdens zo’n feest een wit shirt waarop een leugen is geschreven. De tekst is vaak sarcastisch, je bedoelt het tegenovergestelde van de white lie die je draagt. Voorbeelden zijn ‘Ik ben niet dronken’, ‘Mijn telefoon is dood’, ‘Ik was het niet’ en dus ook ‘Ik heb de broer-zus band niet verbroken’. Wat dus gewoon betekent dat een jongen en een meid die vrienden waren toch seks met elkaar hebben gehad.
Wat een onderstreping van de generatiekloof was deze opheldering. En wat een deceptie. Het bleek maar weer dat de feiten een stuk saaier waren dan m’n fantasie. Gelukkig bleef er nog wel een mysterie over. Waarom had de drager het shirt uit gedaan? Had hij of zij de daad bij het woord gevoegd en meteen nog maar een derde keer de broer-zus band verbroken?
Wat er allemaal ’s avonds in dat Oeverbos gebeurde… ik kon er van alles over fantaseren, maar weten hoefde ik het niet.