Wedstrijdje

In de huur-Skoda op weg van Žabljak naar Perast zat ik een wedstrijdje te doen. Alleen. Man E deed niet mee. Van alle auto’s die we onderweg zagen, moest ik de plaats waar ze vandaan kwamen goed hebben. De Montenegrijnse kentekens begonnen met een afkorting van de plaats van herkomst: KO Kotor, PG Podgorica, BU Budva, HN Herceg Novi. Ik genoot van het wedstrijdje, ik had alles goed en alles wat ik niet wist telde niet, want die auto’s kwamen uit Bosnië en Herzegovina, Servië, Kroatië…
Het was best een lang tripje want haarspeldbochten en werk aan de weg, dus we zetten de playlist ‘Nederlands’ van man E aan. Daar schalde StAD al door de speakers: Hou roar je ook binnen, t is beter as gewoon.
En Jeroen van Merwijk, ook prachtig: Je komt er, het is niet anders, steeds meer achter in je leven, niets is voor altijd.
Maar toen stak het mes toe, Bram Vermeulen zong:
Het is een wedstrijd
Die je niet winnen kan
Het is een wedstrijd
Die niemand winnen kan
Papa, kijk dan
Papa, kijk dan naar mij

Maar papa keek niet naar mij, hij keek naar zijn zoon. 55 jaar en ik liep er voor de 555e keer tegenaan. Oh ja… dáár kwam dat competitieve vandaan. Winnen is belangrijker dan meedoen.
Ondertussen hadden we onze bestemming, de baai van Kotor, bereikt. Een kleine vijf jaar geleden was ik daar ook met diezelfde papa. We voeren toen van het grote schip met een tender naar de kade en vandaar met een klein bootje naar het beroemde eilandje met de kerk met de knalblauwe koepel in Perast. In de smorende hitte lunchten we op het mooiste zeeterras ooit. Na het eten rustte papa uit in de schaduw van de kerk en ik ging shoppen. Er was een boerin uit de bergen met zelfgebreide schapenwollen mutsen en handschoenen die ik niet kocht. Spijt.
De eerste avond zaten man E en ik op ons privé strandje in de baai, we dronken wijn uit de omgeving en aten net gevangen garnalen en dorade van de grill. Ik staarde de bocht om, daar waar de cruiseschepen aanmeerden. Daar zaten we, pap en ik, op het bovenste dek met een glas witte wijn en een baco. We proostten en hij keek naar mij.
‘s Nachts deed ik weer een wedstrijdje, deze keer was wondroos mijn tegenstander. Na een dikke 48 uur won ik, met behulp van mijn antibiotica vrienden. Oké, ik had valsgespeeld, maar het alternatief was geen optie.
Op dag drie reden we naar Perast. ‘BR Bar,’ zei man E, toen hij het kenteken van de geparkeerde auto naast ons zag. De boerin was er niet, het terras nog wel.

Tête-à-tête

In de fluisterboot die wij ter ere van onze achtentwintigjarige verkering hadden gehuurd, verraste man E mij weer eens met zijn kennis van de Oudhollandse woordenschat. Hij dacht terug aan het publiek dat aan de kant zat tijdens het districtskampioenschap Tête-à-tête waar hij de dag ervoor bij de Bouledozers (ik verzin dit niet) in Hoorn had gespeeld. Volgens hem waren het mensen van verschillend allooi en divers pluimage. Toen we uitgelachen waren, hoorde ik hem ook nog plompverloren zeggen ‘Zijn dat geen lisdodden?’. Refererend aan een soort van gele irissen langs de oever. Man E en flora? Na al die jaren kon hij nog steeds verrassend uit de hoek komen. Thuis zocht ik het op en inderdaad, de oevers van de slootjes rondom Broek in Waterland waren bezaaid met lisdodden.
Een paar dagen ervoor was ik druk met mijn allereerste verkering uit 1984 die drie weken duurde, ook met een E. Over hem heb ik eerder een stukje geschreven, Amandelring:

Hij kwam terug met twee pilsjes in één hand. Ze nam een slok en bleef lachen, ondanks de bittere smaak in haar mond. Hij keek opzij, met ogen vol bravoure, tenminste dat hoopte ze. Zo bleven ze een tijdje staan. Aan de zijkant van de drukke dansvloer. In een paar teugen had hij z’n glas leeg, toen keek hij haar echt heel lang en veelbelovend aan. Ze wilde haar glas wegzetten, maar durfde niet te bewegen. Alles gewoon over je heen laten komen, was het laatste wat ze dacht. Zijn hoofd met het prachtige rode haar kwam dichterbij.

Samen met vriendin M, die vroeger E’s échte grote liefde was, bezocht ik de première, of beter veurstellen, van ‘Peter en Erik’. Een docu over het bijzondere verhaal van een eeneiige tweeling. Hun ongehuwde moeder staat hen na de geboorte in 1967 onder dwang af en de tweelingbroers worden tegen haar wens in gescheiden en geplaatst in twee verschillende adoptiegezinnen. De broers weten niets af van elkaars bestaan, tot hun levens bij toeval na zeventien jaar bij elkaar komen. Centraal staat de grote vraag: Waarom? Waarom zijn ze destijds uit elkaar gehaald? Op 23 en 24 mei wordt de docu uitgezonden op NPO2. Gaat dat zien! Gaat dat zien!
Naast het bizarre verhaal over de scheiding van de tweeling, bleven mij vooral de combinatie van Groningse en Amsterdamse beelden bij. De prachtige boerderij in Middelstum van Peter en de trams die langs de Amsterdamse archieven reden waar de broers een antwoord hoopten te vinden op de grote vraag. Ook opvallend was de thee. In nagenoeg alle scenes dronk de tweeling thee. Bij iedere kop keken vriendin M en ik elkaar lachend aan. Thee. Twee thee. Na afloop kon ik het niet laten een selfie met de eerste E te maken om naar de interrailende dochter te sturen. ‘Cute’, antwoordde ze.

Volwassenachtig

Op 4 mei liep ik een rondje langs de akkers aan de Nieuweweg en het B.L. Tijdenskanaal in Bellingwolde. Na 7 kilometer kwam ik hijgend op de begraafplaats aan. Het was bijna vier jaar geleden, ik wilde de grote rode beuk graag weer eens zien en nou ja gewoon het was er de tijd voor. Voorzichtig ging ik op de rand van het graf ertegenover zitten. De bomen erachter straalden in frisgroen, in de velden ernaast wuifde vers gras. De woorden op de stenen – vader, verbonden, broer, gehecht – bonkten in mijn hoofd. Hier lag de helft van ons oude gezin. Dat waren er echt te veel. Dat vond mijn vader ook, maar ik moest het er van hem maar mee doen. ‘Most moar mit dien moeke op pad goan’, hoorde ik ineens in mijn hoofd.
Ik wilde langer op deze geruststellende plek blijven, ook nog even bij oma Barbertje langs, maar door het hardlopen speelden mijn darmen op. Toen ik de Kerkweg weer op rende, vloog er een Vlaamse gaai langs.
’s Avonds thuis op de bank zapte ik langs het Jeugdjournaal waarin Izak Salomons, 2 jaar toen de Tweede Wereldoorlog begon, vertelde wat hij in die tijd had meegemaakt. Gedeporteerd naar Westerbork, Bergen-Belsen. Koolraapsoep had hij nooit meer gegeten. Dat er ook nu nog elke dag wordt gevochten, daar begreep hij niks van. Kinderachtig vond hij niet het juiste woord om te omschrijven hoe de mensen nog steeds met elkaar omgaan. Kinderen zouden zich immers nooit zo gedragen. Volwassenachtig, dát was pas erg.
De volgende dag vertelde de zoon dat tijdens de derde helft van de wedstrijd Heidrunn – Gerstenat (10-2) de tv in de kantine tegen acht uur switchte van Girona – Barcelona (4-2) naar de Dodenherdenking op de Dam. Tientallen lallende twintigers waren tot tweeënhalve minuut over acht stil geweest. Het had meer indruk gemaakt zei hij, dan al die jaren dat ie thuis met ons op de bank naar de plechtigheid moest kijken. Vond ik nogal kinderachtig.

Geheugen

De opslagcapaciteit van mijn iPhone was vol. iCloud, upgraden, reservekopie, ik haat die woorden en hoe het moet al helemaal. Maar het allerergste vind ik nog dat er, in geval van ‘geheugen vol’ bij de app Instellingen zo’n rood cirkeltje staat, die je dus alleen maar weg krijgt door iCloud, upgraden of reservekopie. Sowieso rode cirkeltjes met een cijfer erin bij de apps, dat moet niet. Het moet schoon, leeg en opgeruimd, daarom zit ik zo ongelooflijk vaak op mijn telefoon. Maar het stopt nooit.
Anyway, via seniorweb op YouTube – ik ben nog net niet zo oud dat ik JoeTjoep zeg, maar wel oud genoeg voor seniorweb – kwam ik erachter hoe ik de foto’s en video’s van de telefoon makkelijk op de laptop kreeg. Die nemen nu eenmaal het grootste gedeelte van het geheugen in. Toen alle bestanden in een nieuwe map op mijn computer stonden, kon ik de iPhone gaan opschonen. Te beginnen in 2020 om in dat jaar ook onmiddellijk weer te stoppen, want: allemaal foto’s van de laatste maanden met mijn vader. Bijna vier jaar geleden alweer. Ik zag hem in een Noors fjord, in een bus bij Strokartonfabriek De Toekomst in Scheemda, met zijn broer op het huwelijk van onze jongste neef… En foto’s van foto’s van vroeger, van zwart-wit bij de vijver met ganzen op de boerderij in Blijham, met zijn vader en broer ergens op een uitzichtpunt tot kleur met mij en mijn broertje op schoot, verliefd lachend naar moeder A. Stuk voor stuk mooie herinneringen, tot natuurlijk de onvermijdelijke foto’s van de laatste fase zich aandienden. Het prachtige witte bloemstuk met berkentakken en witte sieruien, het dansende licht door de bomen bij de kerk in Bellingwolde.
Ook al stonden ze allemaal op de laptop, hoe kon ik die foto’s nou verwijderen?
Ik scrolde verder. Vier jaar zonder. Maar mét tig vakanties in Frankrijk, een geslaagde zoon, een ingepakte Arc de Triomph, twee landskampioenschappen van Ajax (…), een dochter met een oorpiercing, een arm vol oedeem, zaalhockey, hond M met een teek, de hele echte Finse kerstman, een geslaagde dochter, Ierse uitzichten met man E, een zoon in rokkostuum, een nieuwe auto, een cruiseschip in een azuurblauwe zee, een zoon en een dochter achter de bar… Vakanties, kerst en Groningse luchten, het ging maar door.
Met hulp van alweer seniorweb selecteerde ik alle video’s en flikkerde ze in de prullenmand. Het rode cirkeltje verdween (!). En er was genoeg plek voor toekomstige foto’s van Montenegrijnse bergen, selfies van de dochter uit KopenhagenBerlijnPraagBudapestBarcelonaMadrid, het 50jarige feest van man E, kiekjes uit Thailand van de zoon en de eend, tig keer Frankrijk, de Utrechtse kamer van de dochter, de Amsterdamse van de zoon, een kerst in de zon… net zoveel tot het geheugen weer was volgelopen. En de herinneringen zonder zich nog verder hadden opgestapeld.

Tipi

{Brieven aan mijn broer}

Lieve broer,

Een tijdje heb ik niet aan je gedacht, maar afgelopen week was je er echt. Ik was bij mama thuis, waar iets heel geks gebeurde. Mama’s vrouw kon niet meer leven. Net als jij eigenlijk, zoveel jaar geleden. Ze zat in de stoel die nog van mama’s moeder, oma Grietje, was geweest en mama zat dicht naast haar. Al haar kinderen waren er ook, die ken je vast nog wel van toen we vroeger in de Waalstraat kwamen. En ook nog kleinkinderen, die zijn nieuw voor jou.
Langzaam stopte ze met leven, ik zag het niet, maar hoorde mama huilen en keek strak naar het plankje in de boekenkast waarop jouw foto’s staan. Je horloge, je gestipte bretels, een cassettebandje van Herman van Veen en je blauwe portemonnee. Op de ene foto vier je je 30e verjaardag, zelfs een corsage heb je op en op de andere zit je te puzzelen met de bretels aan. Hupselen zou papa zeggen. Nou, zo konden we mooi samen mama troosten. Want het was allemaal erg verdrietig.
Langzaam ging iedereen weg en bleven mama en ik achter. We wachtten een tijdje op mensen die mama’s vrouw kwamen halen om haar in orde te maken. Mama wilde graag dat ze in een roze-meisjesbaby-kleur deken in een rieten mand kwam te liggen, dat hadden ze nog samen uitgezocht, en daar zijn speciale mensen voor die dat regelen. Toen dat klaar was, ze kwamen met een zwarte-roet-kleur Mercedes bus, zuchtte mama diep. Ze pakte een sigaar uit haar leren kokertje, stak ’m midden in de kamer aan en zei: ‘Dit moet nu even.’ Ik zat meteen in de rook en we lachten allebei hard. En toen dronken we nog te veel wijn en port en was het erg gezellig.
Een paar dagen later kwam er een grote bus voorrijden, ook een Mercedes, maar een grijze-duif-kleur. Daar gingen we met echt heel veel mensen in. Wat had jij dat ook geweldig gevonden! Het was net of we met z’n allen naar de dierentuin in Emmen gingen. Je zwager E hielp ook mee de mand van de trap af en in de bus te tillen. Dat ging allemaal best lastig, een beetje net als toen ze papa over de hekjes van zijn dakterras de lift in moesten tillen.
De bus reed dwars door Amsterdam en alle kleinkinderen van mama en haar vrouw, er waren er zeven, zongen keihard mee met de Kauwgomballen-boom.
Midden in het tuintje van m’n ouwe malle oom
Staat een kauwgomballenboom
Een echte kauwgomballenboom

Je kent ze allemaal niet, maar vroeger gingen je neef E en je nicht L vaak met kleindochters R en K bij de oma’s logeren. Ze hadden elkaar al heel lang niet meer gezien, maar begonnen direct te praten over de oma-weekenden van lang geleden. Over hoe ze samen in bad hadden gezeten, gespeeld in kartonnen huisjes, stiekem lippenstift van de oma’s hadden opgedaan…
Nou ja, toen waren we in een soort van kerk. Mama was heel moe en ging in een hoekje een kop thee drinken met een koekje. Er kwamen heel veel mensen met bloemen en alle kleinkinderen knipten de stelen van de bloemen af en legden ze netjes in de mand op de roze deken. Heel mooi was dat. Ze staken ook allemaal een kaars aan voor hun oma. Er gingen telefoons af, de muziek was eerst te zacht en duurde langer dan dat mama had afgesproken, die was daar kwaad over, maar gelukkig ging het later goed.
Mama hield een heel verhaal over haar liefde, en dat was mooi. Ik stond achter haar en voelde me goed in mijn nieuwe lichtblauwe-lucht-kleur pak. De hapjes waren heerlijk, er was zalm en eiersalade en heel veel bitterballen met mosterd. Er was ook cola, maar die hadden ze niet op tafel gezet. Dat was voor jou dan wel jammer, maar oké. Weet je wie er ook waren? Onze kippenoom, en papa’s man natuurlijk en onze lieve nichtjes H en M, met hun hele fijne mannen. En ook nog de vrouw van de dominee van vroeger, die was echt heel lief, en begon direct te praten over oma Barbertje.
De borrel was afgelopen en we gingen weer de bus in, vlak langs mama’s oude huis reden we. Toen ging de mand op een kar en liepen we naar een soort van tent, in Amsterdam noemen ze dat de tipi, en daar lieten we de mand met mama’s vrouw erin achter. Mama huilde toen echt heel erg, net als toen met jou. Maar ze was weer blij toen ze in onze achtertuin zat te roken en heel veel eten van je zwager E kreeg.
Vandaag ging ik even kijken hoe het met haar was. Af en toe huilde ze, maar ze had ook zin om vanmiddag naar de kapper te gaan en cashewnootjes te kopen.
Zo, nou weet je hoe het gegaan is. Dag lieve broer. Kus van je zus.