Kinkermoeder

Lang, lang geleden was er eens een vrouw die mijn moeder ‘Kinkermoeder’ noemde. Daarmee doelde ze op de relatie die moeder A en ik hebben. De Kinkerstraat in Amsterdam Oud-West was een echte arbeidersbuurt met een sterk buurtgevoel. De huizen waren klein, stonden dicht bij elkaar en de sociale controle was groot. De zonen traden in het voetspoor van hun vaders, de dochters deden hun moeders na. Kinkermoeders en -dochters dronken vaak samen koffie, gingen samen naar de Ten Katemarkt, hadden dezelfde kledingsmaak, hun huizen lagen vlak bij elkaar en natuurlijk paste de Kinkeroma op de Kinkerkleinkinderen. Tenminste, ik denk dat het er in die buurt zo aan toe ging.
In dat verre, verre verleden voelde ik mij aangesproken en vroeg ik mij af of ik wel zelf keuzes maakte of gemakshalve maar alles kopieerde van moeder A?
In therapie leerde ik veel bij en weinig af. Ik kwam erachter dat ik moeder A op een voetstuk had geplaatst. En dat het gezonder zou zijn als ik haar daarvan af zou halen. Met de nodige ruzies, verwijten en het bijbehorende verdriet lukte dat. Ik schopte de pilaar omver, zette haar met beide benen op de grond en hield haar tegen als ze er weer op wilde klimmen. We gingen graag samen uit eten, dronken nog liever een borrel, koesterden allebei weinig ambitie, hadden dezelfde slappe lach, kregen allebei kanker (en nee, die grap ga ik niet maken) en verheugden ons op het gezamenlijk zomerleven in Frankrijk.
Jaren en jaren bij de psycholoog om erachter te komen dat ik nooit Kinkerdochter ben genoemd en toch blij ben dat ik er één ben.

Dispuut

Als je altijd hebt geroepen dat je zo’n hekel hebt aan disputen en je zoon wordt er lid van, wat doe je dan? Nou, eerst maar eens hoofdschuddend het witte dispuutshemd met geborduurd logo in de wasmachine stoppen. Dan nadenken wat je bezwaren zijn en waar die vandaan komen. En tot slot is het misschien wel een goed idee om naar de beweegredenen van de zoon te luisteren. Zonder vooringenomenheid. Moeilijk, moeilijk.
In de jaren tachtig was het in linkse alfakringen not done om bij een studentenvereniging te gaan. In mijn beleving stond dat gelijk aan kak, zuipen, rechts, corpsballen. Zulke nieuwe vrienden hoefde ik echt niet. Dat had ook met mijn eigen schijterigheid te maken, want veel van die mensen kwamen uit de enge Randstad en stel dat ik niet gevraagd zou worden bij een dispuut, wat voor loser zou ik dan zijn? En ontgroenen? Dat nooit. Wie liet zich nou vrijwillig vernederen?
Nou ja, de bloedeigen zoon dus. Maar dat viel echt reuze mee, bezwoer hij. Niet alle activiteiten waren verplicht en van echte vernederingen was geen sprake. Het was gewoon een hoop lol, modder, nachtelijke wandelingen en bier geweest. Bovendien hoefde hij vrouwen niet op bangalijsten te plaatsen of sperma-emmers te noemen, geen ganzen in z’n kamer te huisvesten en was hij niet geschopt noch geslagen. ‘Je creëert echt een band met elkaar als je samen moet afzien’, zei hij. ‘Mijn dispuut heeft respect voor elkaar en anderen.’ Ik probeerde dat te geloven.
Hij was dan ook geen lid geworden van een dispuut van het échte koor, zoals het Groningse Vindicat atque Polit, ‘handhaaft en beschaaft’ of het Amsterdamse A.S.C. Honestum petimus usque, ‘wij streven naar het edele’ of Minerva uit Leiden, Virtusconcordiafides, ‘deugd, eensgezindheid, trouw’. Hij hoorde gewoon bij dispuut Heidrunn, ‘op d’uwe!’ – van studentenroeivereniging Skøll, ‘niets anders dan je eigen talent en motivatie mag je verhinderen het hoogst haalbare uit jezelf te halen’.
Toen ik het overhemd de wasmachine inpropte nam ik het zwartrode borduurwerkje eens goed in me op. Een tekening van een geit en de namen van het dispuut en de roeivereniging. Waar kwam die geit vandaan? En wat een vreemde naam, Heidrunn. Wiki wist te melden dat het dispuut de naam verkeerd gespeld had. Het was Heiðrun, een magische geit uit de Noordse mythologie. Uit de spenen van Heiðrun vloeide honingwijn en daarmee vulde de geit iedere dag een vat (toch jammer dat het geen emmer was) groot genoeg om alle gesneuvelde krijgers uit het Walhalla dronken te voeren. Met als pluspunt dat ze aan die wijn geen kater over hielden.
Ja, dat was een duidelijk disputen-verhaal, maar vanwaar die verkeerde spelling? De zoon had geen idee waar die extra n vandaan kwam En die gekke d dan? Wie weet was de ð te moeilijk om op de hemden en dassen te borduren.
Skøll, zocht ik nog even op, was ook een figuur uit de Noordse mythologie, een wolf. En net als Heiðrun, verkeerd gespeld. De naam van de wolf is Sköll, Skol is een internationaal biermerk en ‘skål’ is Noors voor proost.
Maar goed, dat zal dat dispuut vast allemaal gemekker vinden.

In de weg

In de mistige regen liep ik met hond M langs de Amstel. In mijn oren klonken de stemmen van Gijs Groenteman en Coen Verbraak. Vooral die laatste heb ik hoog zitten, maar een interviewer die een interviewer interviewt, mwah. Wel wist Verbraak de kern van het leven prachtig te definiëren: ‘Leven is jezelf in de weg zitten.’ Groenteman voegde daaraan toe: ‘En dat je probeert dat te overwinnen.’ Daar werd ik kriegelig van.
Een paar weken eerder had ik met het clubje van de eerste liefdes gegeten. De gesprekken van die avond – over Omtzigt en Wilders, ijshockeyclub GIJS, de liefdeslevens van onze kinderen, Ajax, gezinsopstellingen – kon je zo onder de noemer ‘jezelf in de weg zitten’ zetten. Maar waar het om ging was dat we daar alle vier enorm om konden lachen. Maar goed, dat was een avond uit, met een gedeeld verleden van zowat veertig jaar, wijn en sushi, of kloeten zoals ex R. deze Japanse delicatesse noemde.
In het dagelijks leven ligt het anders. Dan is het net alsof het makkelijker is om jezelf in de weg te zitten, dan om middenin het leven te staan. Op internet kwam ik erachter dat dat met zelfsabotage (ieks) te maken heeft. De hele therapeutische riedel werd afgedraaid: faalangst, uitstelgedrag, onzekerheid, perfectionisme zorgen er allemaal voor dat je jezelf in de wegstaat. Met direct de oplossingen-reut erachteraan: maak een plan, word je bewust, stap voor stap, praat erover, zoek een accountability partner (WTF?).
Deze theorie liet ik voor wat ie was, liever een goed voorbeeld uit de praktijk: in de herfst van vorig jaar heb ik een fotolijstje, bestaande uit twee glasplaatjes gekocht. Daartussen heb ik vijf veertjes van Vlaamse gaaien gestopt. Dat had ik uiteraard eerst uitgesteld, maar uiteindelijk ging ik met een pincet en handschoenen aan de slag om de veertjes in de juiste volgorde, op de juiste afstand van elkaar en op de juiste hoogte op het ene glasplaatje te leggen. Even niet te hard uitademen, een onverwachte beweging maken en of man E, de zoon en de dochter ook stil wilden zijn en zitten. Dat gebeurde natuurlijk allemaal niet. Daarna moest het andere glasplaatje er bovenop gelegd worden, waarbij alle vijf de veertjes zich niet mochten verroeren en moest het geheel in het frame worden geschoven.
Echt lang stond het lijstje met de perfect gepositioneerde veertjes te shinen in de woonkamer. Tot de zoon zei dat er vlekken op het glas zaten. Ik ging gelijk aan de poets en in minder dan geen tijd zaten de veertjes chaotisch achter het schone glas. Dat was met kerst denk ik. En sindsdien, iedere keer als ik het lijstje zie, en dat is zeker drie keer per dag, denk ik, maak het nou in orde. Maar ho maar. Dat kun je jezelf in de weg zitten noemen. Maar dat hele proces wat ik hierboven heb beschreven, hoe noem je dat dan?

Op het schip

{Brieven aan mijn vader}

Lieve pap,

Sinds eind november vorig jaar heb ik je niet meer geschreven. Het lijkt alsof de gaten tussen onze contactmomenten groter worden, dieper. Dat wil ik niet, maar dat is wat de tijd doet.
Net als zovele brieven, begint ook deze weer met je zegelring. Deze keer lag ie op een nachtkastje in downtown Miami. Je kleinzoon lag ernaast, zijn jetlag weg te slapen. Het was zover, het vage plan dat vriendin M en ik in het voorjaar vorig jaar hadden geopperd, was werkelijkheid. We gingen samen met haar dochter en jouw kleinzoon op bezoek bij de eend die al maanden aan het werk was op een cruiseschip. Weet je het verhaal van je kleinzoon en de eend nog? Ze hadden geen relatie, het was geen scharrel, of een date of geen idee hoe ik het moest/mocht noemen. Man E bleef maar roepen: ‘If it looks like a duck, swims like a duck, and quacks like a duck, then it probably is a duck.’ Dus vanaf dat moment was liefde J tot eend omgedoopt. En we zouden een hele week met dit bijzondere gezelschap van vijf van alles gaan beleven op het schip.
Ik kan je vertellen over de vrolijk gekleurde vissen die ik al snorkelend zag in Mexico of over de legu- en pelikanen, het azuurblauwe water aan het strand van Honduras, de fietstocht langs de kust van Cozumel, de harde muziek op alle decks en gelukkig het eigen balkon, het geschreeuw van de ongeveer 5500 Amerikanen die ook op het schip zaten en wederom gelukkig het eigen balkon, de man met het ‘Trump 2024 Make liberals cry again’-shirt, de groep bachelors met de ‘Blame it on the drinking package’-shirts en gelukkig het gezin met de shirts ‘I love my two mums family’. En over een boek waarover ik op de heenweg in het vliegtuig een recensie las (Stiff van Mary Roach) en waarvan de eerste zinnen luiden: ‘The way I see it being dead is not terribly far off from being on a cruise ship. Most of your time is spent lying on your back. The brain has shut down. The flesh begins to soften. Nothing much new happens, and nothing is expected of you.’ Over de jonge liefde die ik tussen de zoon en de eend zag, de mooie gesprekken die ik met vriendin M had en hoe ik genoten heb van haar dochters, hoe ik heb kunnen leren van de dynamiek binnen een ander gezin en hoe hard we alles wat we maar wilden hardop konden zeggen, want de enige Nederlanders op het schip.
Maar ik beperk me tot de dingen waarvan ik denk dat jij ze het leukst had gevonden. Daar gaan we.
We kregen crew family-passen en mochten een kijkje nemen in de crew bar waar alles de helft goedkoper was, we liepen door het crewrestaurant, langs de kleedkamers en ook hebben we de hut van de eend gezien. Ik voelde mij een VIP ook al was dat nergens op gebaseerd.
Elke show van de eend zaten we front row. Er lagen bordjes ‘reserved’ op de beste stoelen en medewerkers die we niet kenden riepen al van een afstand: ‘Family of the duck? Hi, how are you, sóó nice to see you.’ Na afloop van een van de shows spraken we ook even met zanger D, de beste vriend van de eend, zeker weten – knipoog – dat je hem leuk had gevonden, pap. Dat blijf ik magisch vinden, het ene moment staat zo iemand in vol ornaat te shinen op het podium, het andere zit ie zonder make-up en in een trainingspak tegenover je en zegt ie lachend ‘Oh my God, you are so tall. And hot’, tegen je kleinzoon.
En wat had jij gelachen om de glitterbroeken van vriendin M en mij. Tijdens de dansworkshop ‘Rolling on the river’, gegeven door de eend, hadden we ze aangetrokken. Van tevoren dachten we nog, mmm beetje overdressed wellicht, maar what little did we know.
Ook leuk, je kleinzoon werd 21 op het schip en mocht voor de tweede keer in zijn leven officieel alcohol drinken. Hij kreeg tijdens zijn verjaardagsdiner een extra toetje en de obers en serveersters gingen voor hem zingen. Weet je nog dat ze dat destijds op mijn verjaardag op ons schip in Noorwegen ook voor mij deden? Gênant maar toch leuk.
Af en toe zat ik alleen op het balkon, met een glas veel te dure Torresella, dan staarde ik naar de eindeloze zee, voelde de deining van de golven en snoof de geur van het zilte water op. Dat was fijn pap.
Sorry voor al het Engels, ik weet dat je kennis daarvan zozo is, maar ik denk dat je het allemaal wel ongeveer begrijpt. En ik beloof, volgende keer gewoon weer meer in het Gronings.
Oh ja, nog even snakken, je kleindochter heeft een baan bij een theatercafé, afgelopen weekend vroeg Alex Klaassen haar om een glas water.

Schurft

Een paar dagen voor onze trip naar de Caribbean begon ik met stapeltjes maken. ‘Mooi weer’-stapeltjes. ‘Vermaak op het schip’-stapeltjes. ‘Officiële papieren’-stapeltjes. Maar voor een van die stapeltjes – mooi weer – bleek het nog te vroeg. De zoon was in contact geweest met iemand die schurft had en de kans bestond dat hij besmet was, ook al had hij geen klachten. Ik herhaal het woord dat qua klank, betekenis en spelling z’n naam de hoogst mogelijke eer aan doet nog maar even: schurft. Een soort luizen, maar dan voor studenten.
Als huisgenoten van stelden wij het schurft-protocol van het RIVM in werking. Het hele gezin moest pillen slikken, alle kleding die we de laatste drie dagen hadden aangeraakt moest gewassen op 60 graden (dat ging dus niet) of in vuilniszakken. 72 uur lang. Dus ook de winterjas, de pannenlappen en de warme laarzen. We mochten hond M drie dagen niet knuffelen, alleen met plastic handschoenen aan. Alles van stof wat niet in een vuilniszak kon moest gezogen: de bank, de stoelen, de hondenmand, de pianokruk. We moesten onze bedden verschonen, erin slapen met onaangetaste kleding aan en de volgende ochtend de bedden weer verschonen.
Tot zover de praktijk. Een gedoe, maar het ging best prima. Zelfs man E deed op Curaçao aan het protocol mee.
De emoties die de scabiësmijt in ons gezin veroorzaakte, tja dat was een heel ander verhaal. De zoon, de dochter en ik, we interpreteerden de regels alle drie toch net wat anders. Was het nou drie dagen of toch echt 72 uur? Mocht hond M nou wel of niet op de bank? Moest een leren jas nou wel of niet in de zak? Aloude triggers, mechanismen en gezinssystemen vlogen ons om de oren. Zo hield ik me niet aan de afspraken. Bleek weer eens dat ik niet stressbestendig ben, wat zich vooral uitte in ‘Ik weet het niet, ik weet het ook niet’ roepend, terwijl ik me toch de verantwoordelijke ouder voelde. De dochter was kwaad: Hoezo ging iedereen maar lekker naar het Caribisch gebied en bleef zij thuis met de meeste kans op schurft? En de zoon was alleen maar praktisch bezig en toonde weinig berouw. Ook hond M was over de kook, want alle kussens waar ze normaal gesproken ’s nachts op ligt waren weg. Toen wij naar bed gingen, bleef ze jankenpiepenblaffen in de huiskamer. Dat deed ze anders nooit.
Vanavond mogen we alle zakken weer openmaken. Maar voorbij is het dan nog niet. ‘Na zeven dagen doet iedereen de behandeling opnieuw. Dus zowel pillen slikken als kleding en beddengoed wassen.’ Aldus het RIVM. Over zeven dagen? Dan was man E net thuis met een jetlag, voeren de zoon en ik ergens voor de kust van Mexico en was de dochter net begonnen met haar nieuwe theatercafé-baantje. Hoe dan?! Gelukkig mocht de herhaling van de huisarts ook over veertien dagen. Dat interpreteerden we allemaal hetzelfde.