Omnis comparitio claudicat

Een dikke zes weken later lag ik er weer. Op de tafel bij het chakra vrouwtje. Ze zette indianenmuziek op, tenminste het klonk als mannen die geluiden uitstootten en tegelijk ritmisch met hun hand tegen hun mond klapten. Wreef een tijdje in haar handen en deed haar chakra ding. Er gebeurde van alles: ik kreeg het warm in mijn buik, er kwam hoofpijn opzetten en mijn handen en onderarmen begonnen los te raken van de tafel. Bij volle verstand dacht ik, straks zweef ik hier à la een act van Hans Klok echt een paar centimeter boven de tafel. Er gebeurde natuurlijk ook een heleboel niks en na afloop zei het chakra vrouwtje dat ik mijn arm moest loslaten. Alsof ik dat zelf niet wist?! Twee kuikens loslaten, een eend loslaten en ook nog lichaamsdelen loslaten? Ja, duh. Rustig aan. Graag. En ook graag stap voor stap.
Ik leg even uit waarom. Kijk, eerst zat ik alleen in het nest, toen kwam man E aanvliegen, er kwam een kuiken bij en na een dikke twee jaar nog één, twintig jaar later stapte er ook nog een eend in. En nu was mijn dikke linkerarm daar ook nog bijgekomen? Alleen maar, zoals alles in dat nest, om losgelaten te worden? Oh nee, zoals elke, gaat ook deze vergelijking mank.
Hoe dan ook, ik ben natuurlijk zelf het nest. Een nest zonder kuikens, maar met een dikke linkerarm. Nou zo’n nest bedank ik voor.
Het chakra vrouwtje zei ook dat ik nog heel veel liefde te geven had en dat is mooi. Maar ik bleef nog lang bij die arm in dat nest hangen, het glas is tenslotte halfleeg. En omdat het ook nog oktober is, de maand van mijn diagnose, de maand dat we afscheid namen van mijn broer, bleef ik extra lang bij die arm hangen. Om erachter te komen dat vasthouden heel logisch is. Hoe kun je je eigen arm ook loslaten?!
Nog een uitleg: het woekerweefsel en alles wat daar destijds bij hoorde kun je zien als een hele zware, zwarte taart. Eentje die ik alleen op moest eten. Dat heb ik gedaan. Maar de kers die erop zat, die was ik vergeten. Die zag ik pas een jaar of tien later. En toen lustte ik echt niet meer. En nog steeds wil ik ’m niet opeten. Omnis comparitio claudicat. Elke vergelijking gaat mank.
Zo wordt het toch nog een ongezellig stukje. Maar het is deze keer wel één geheel. In tegenstelling tot het vorige, waarin ik per se een quote over een hond en iets in het Latijn wilde frommelen. Een beetje los zand op het einde, daar zou ik wel mee wegkomen. Nou, mooi niet. Vanuit Spanje werd ik op het matje geroepen. De nestverlater legde feilloos haar vinger op mijn zere plek. Dat is wat ze doen, kuikens, of ze nu in of buiten het nest zitten.

Achternaam

Logerend in het huis waar mijn vader nooit had gewoond, viel mijn oog op een bedankkaartje. Dank waarvoor, dat doet er even niet toe, het ging mij om de afzender. Dat was een vrouw met een dubbele achternaam. Ik heb nooit begrepen waarom je, als je gaat trouwen, de naam van je aanstaande man voor die van jezelf zou zetten. Ik vind, je heet nu eenmaal zus en zo en dat zegt veel over wie je bent. Waarom zou je dat veranderen? Overigens, gedachtes over waarom de vrouw wel de naam van de man zou nemen en andersom niet, zijn sowieso doodlopend. En trouwens hoe doen mensen van hetzelfde geslacht die trouwen dat?
Diep van binnen voelde ik een identiteitsdingetje opkomen. Dat zou ik kunnen gaan onderzoeken, overdenken en wat dies meer zij (hier neemt man E het toetsenbord even over). Maar dat stelde ik lekker uit tot later die dag wanneer ik mijn tweede afspraak met het chakra-vrouwtje zou hebben gehad.
Toen man E en ik ons eerste kuiken zouden krijgen, kwam het concept achternaam natuurlijk ook op tafel. Wat zou het worden? Er waren argumenten voor en tegen mijn en mans E achternaam te over. De namen zouden uitsterven, de namen waren niet mooi, zijn naam was handiger omdat nou eenmaal bijna iedereen de naam van de vader kiest, zijn naam zou een bewijs zijn van dat hij de vader was – nou je moet eens kijken op wie ze lijken. Mijn naam zou logischer zijn, het kind kwam immers letterlijk uit mij…
Wij kwamen er niet uit en omdat man E een groter hart heeft dan ik, schonk hij mij de achternaam. En dat is maar goed ook, want die past ook een stuk beter bij kuikens en nesten. Beetje flauw dit. Enfin, ik blij en als bedankje kreeg het eerste kuiken dezelfde initiaal als man E en beloofde ik dat we nooit zouden trouwen, want dat vond hij een gedoe. Ook hier bleek mijn hart weer kleiner dan dat van hem, of beter geniepiger, we trouwden toch en tot op de dag van vandaag moet ik in nieuw gezelschap luisteren naar zijn gekleurde relaas over hoe dat jaren geleden in Las Vegas in zijn werk was gegaan. Kinderen gemanipuleerd met buitensporige bruidstaartproeverijen en limo’s op de Strip. En nee, limo is hier geen afko voor limonade.
Te ver afgedwaald. Het bedankkaartje, de dubbele achternaam. En wat mij fascineerde. De meisjesnaam van de vrouw was en ik verzin dit: Pot. De man met wie ze ooit was getrouwd heette ook Pot. Ze waren van de oude stempel ging ik van uit, zij nam dus zijn achternaam aan, zette ’m voor of achter haar meisjesnaam en heette vanaf het ja-woord Pot-Pot.
‘Als je al Pot heet, waarom zou je dan nog een keer Pot gaan heten?’ schreeuwde ik naar de bedankkaart en dat zei natuurlijk weer meer over mij dan over mevrouw Pot-Pot.
Op dit punt aangekomen had ik graag een bruggetje willen maken naar een van de mooiste zinnen uit ‘Uit het leven van een hond’ wat ik aan het lezen ben, maar ik krijg de connectie niet voor elkaar. Dan maar zonder. Hoofdpersoon Henk kijkt in de ogen van zijn hond Schurk en ziet: ‘(…) de gebruikelijke weemoed, dat hondenverdriet, een onpeilbaar inzicht in de werkelijke stand van zaken (alles gaat voorbij) dat uiteindelijk de bron is van het wezenskenmerk van canis lupus familiaris: de tomeloze levenslust.’

Sfeer

{Brieven aan mijn vader}

Ha pap,

Ik was van plan dit stukje te schrijven achter je oude bureau. Maar dat kan niet, er ligt te veel troep op, onder en in. Dan maar vlak ernaast aan de tafel die je ooit wit hebt geverfd en die hier en daar butsen vertoont, afgebladderde stukjes verf. Op weg in de auto hiernaartoe, had ik daar een nostalgisch idee bij, bij je bureau. De plek waar jij altijd de administratie van de boerderij deed, ‘gebroeders’ stond er op alle afschriften van de ABN. De plek waar jouw vader altijd de administratie van de boerderij deed.
Uit het raam naast de erker zie ik vanuit een ander perspectief de grote witte boerderij waar ik ook altijd op uitkeek als ik bij oma Barbertje was. Ik denk, de bomen die eromheen staan zijn meters hoger geworden. Gek toch, pap, dat alles zich een soort van herhaalt? Jij hebt hier nooit gewoond, maar ik vind van wel. Overal staan je spullen. Het luiliggende bankstel waar hond M nu wel op mag liggen, de marmeren tafel met de keiharde punten, oh wat vond ik dat eng toen de nestblijver en -verlater nog klein waren, het Perzische kleed, de foto van de Japanse esdoorn. Natuurlijk zijn er ook andere dingen bijgekomen, maar de sfeer is van jou.
Nu je kleindochter in Spanje zit, je kleinzoon alweer derdejaars is – een eend heeft, dat heb ik je nog helemaal niet verteld?! En die eend gaat ook nog op een cruiseschip werken en drie keer raden wie er een week op dat schip gaat zitten. Zal ook wel nostalgie zijn, denk ik. Dat geloof je toch niet, pap. Dat ik toch nog een keer weer een cruise ga maken. Wat? Tuurlijk gaat de nestblijver ook mee. En drie keer raden wie dit tripje gaat betalen? Ik zie je lachen en ook een beetje met je hoofd schudden, een combinatie tussen trots en mot dat nou.
Ja, je kleindochter, ze doet het goed pap. Ze kookt, ze leert het verschil tussen de imperfecto en de indefinido, verslaapt zich, sport, eet tapas, bezoekt musea, hangt in de stad, zoekt, kan het niet vinden, maar vaak ook wel. Als ik me ongerust maak, maak ik mezelf wijs dat oma Barbertje op haar past.
Maar goed, nu mijn nestwerk erop zit, zit ik hier, in ons noorden. Nog wat onwennig en eigenlijk geen idee. Te doen wat goed voor me is? Weet jij het?Dikke smok van je dochter.

Confrontatie

In de stiltecoupé tussen Amsterdam Zuid en Zwolle vrat ik mezelf op. Altijd ga ik expres in zo’n coupé zitten. Altijd praatbeltmuziekt er wel iemand en altijd ben ik degene die er wat van wilmoetzal zeggen. De grote vraag is waarom? Maar daar kom ik later misschien op.
Bij Duivendrecht begon er iemand te bellen. Ik keek op van mijn boek. Dacht: daar gaan we weer. Zal het lang duren? Zal ik wachten? De persoon aanspreken? Ik las geen letter meer tot pak en beet Weesp. Stak mijn nek uit om te kijken waar de beller precies zat, hoe ze eruitzag. Vroeg mij af waarom niemand anders er wat van zei. Keek rond of ik non-verbale tekenen van medepassagiers kreeg die zich ook ergerden. Die zag ik niet. Raakte daar steeds geïrriteerder over. Probeerde het los te laten tot Almere Poort en las zogenaamd verder. Lukte niet, maar dat had zeker ook te maken met de abominabele schrijfstijl van best-selling, award-winning (!?) Julie Otsuka.
Ik hield het niet meer. Ging staan. De beller zat drie banken verderop. Vanaf mijn plek bij het raam was ik het gangpad nog niet ingestapt of ze keek me aan en zei: ‘Ja, ik weet het’ en bewoog haar niet bellende arm zachtjes op en neer. Ten teken dat ik wel weer kon gaan zitten. Wonder boven wonder reageerde ik ad rem. Alhoewel, zo wonderlijk was dat ook weer niet. De vrouw was ongeveer mijn leeftijd, ongeveer mijn soort. In een fractie van een seconde schatte ik in dat ik haar wel kon hebben. Dat mag een lelijke gedachte zijn, maar daar schaam ik me niet voor. Als ik geïmponeerd zou zijn, wat vaak voorkomt (hoe dichter bij de Randstad hoe vaker) dan zou ik het niet aan laten komen op een confrontatie. Waarbij we op het onderwerp van confrontaties aangaan komen. En hoe bang ik daarvoor ben. En dat die angst het antwoord is op de vraag eerder gesteld. En dat ik het daar voor nu maar even bij laat.
Ik ging mooi niet zitten, liep zelfs verder het gangpad in. Voelde me net zo badass als een van mijn favoriete karakters uit Better Call Saul, Nacho – ‘There is a guy. He has to go away’ – Varga en zei: ‘Wilt u dan stoppen, als u het weet?’
Ik voelde me goed, een winnaar. Totdat, bij de eerstvolgende stop in Almere Centrum, de coupé overspoeld werd met kakelende tienermeisjes.

Op

‘Nooit gedacht dat jij in dit huis de stabielste zou zijn’, zei de nestblijver. Maar zo vast voelde ik me niet, ik was alleen maar aan het wachten. Wachten op het moment dat man E het telefoongesprek met zijn zus zou beëindigen. Wachten tot ik zeker wist dat eend J alle vluchten, shuttles en koffers had gehaald. Tot het pakket met de juiste oplaadkabel bij de nestverlater was bezorgd.
Wachten tot hond M klaar was met poepen zodat ik het op kon ruimen. Wachten op het groene licht. En op de koerier die Thai kwam brengen. Wachten tot de nestverlater iets leuks op Insta zou posten. De nestblijver weer z’n normale ritme ging oppakken en het gedoe op de uni achter de rug zou zijn. Tot hond M weer rustig zou worden. En man E zichzelf.
Wachten tot ik het op zou kunnen brengen niet alle zinnen met wachten of tot te beginnen. Wachten tot ik weer zou bedenken dat in het nu leven toch het beste is. Wachten tot het vrijdag was. Wachten tot de koffie klaar was. En ik met m’n sokken in het plasje water naast de afwasmachine zou stappen. Wachten tot het zou stoppen met regenen. Tot ik de tijd zou nemen naar een uitzending van NPO Start te kijken en mijn campingvrienden B en F te appen. Ik wachtte zelfs tot ik bij de allerlaatste aflevering van het allerlaatste seizoen van Better Call Saul zou zijn aanbeland.
Eén uur wachtte ik niet. Tijdens de yin-yoga, toen ging het niet. Focus, naar binnen gekeerd en alles vergeten, kwijt en weg.
Wachten op een bevestigingsmail van de Spaanse Avanza-bus over mijn reis. Wachten op het moment dat ik een van de twee boeken voor de boekenclub zou gaan lezen. Of eerst nog zou gaan lenen. Wachten op een doelpunt van Ajax. Wachten tot ik weer zou bijpraten met vriendin O. Op de supermarktmedewerker die mijn gescande boodschappen zou komen checken. Wachten in de wachtrij van de servicedesk van de bank om de reisverzekering uit te breiden. Wachten op reacties van lezers van dit stukje die zouden zeggen dat ze echt zat van dat gewacht waren. Wachten op kerst. Op de klok voor- nee achteruit. Wachten tot ik weer kon sporten. Drinken. Wachten, wachten, wachten. Tot het zover was. Tot ik had bedacht waarom dit plaatje en deze laatste regels bij dit stukje pasten.
‘Jij hebt grijs haar, wil je dat?’
‘Ik ben niet gespierd genoeg.’
‘En ik lijk op een meisje en ik wil een groen pakje.’
‘Veliz Navidad.’
‘Ik lijk niet op haar.’
‘Feliz.’
‘No importa si.’