Clubliefde

Gisteren om 14.30 uur zat ik klaar om naar de tv te kijken en naar de radio te luisteren. Ik had niet eens de tijd om me te ergeren aan de anderhalve minuut vertraging die er tussen beeld (achter) en geluid (voor) liep of het was al 0-1. Hoe het verder met de wedstrijd ging, daar gaat het nu even niet over.
Ik las, keek, luisterde alles wat los en vast zat over het hoe en het waarom van deze inktzwarte dag in de historie van de club. Kinderen hadden gehuild, supporters hadden zich onveilig gevoeld in hun eigen stadion. Waarom trok ik mij dit alles zo aan?
Een dag later wist ik het ineens. Nou ja, zo ineens was het ook weer niet, ik had hardgelopen, er was de nodige endorfine vrijgekomen en ik stond lekker onder de douche uit te hijgen en dan zie je de dingen toch vaak helderder.
Het gaat om clubliefde. Ik zal nooit beweren dat ik een Amsterdammer ben, maar een Ajacied ben ik wel. Ik hou van mijn witroodwitte club. En er zijn heel veel andere mensen die ook van mijn club houden. Mannen bijvoorbeeld die willen dat Marc Overmars terugkomt. En mannen die twee sets kleding en vuurwerk meenemen naar het stadion. Dat vuurwerk gooien ze op het veld, waarna ze onder een spandoek gaan zitten en zich omkleden. Niet herkenbaar als dader, maar wel mooi de wedstrijd gesaboteerd. Mannen die met grof geweld, bij gebrek aan supporters van de tegenpartij – en ik geloof niet dat ik dit schrijf – dan maar de hoofdingang van hun club kapot beuken en er rookbommen naar binnen gooien. Mannen die supporters worden genoemd door de media.
Misschien kan de geest van Rinus Michels ons redden? De zoon van JC? Of de vader van Daley Blind? Ik weet het even niet meer en bovendien, hond M wil naar buiten. Ik trek mijn witroodwitte vest aan en loop de deur uit. ‘Ajax!’, roept een van onze buurjongetjes. ‘Ja’, zeg ik, ‘ik ben nog steeds supporter. En jij?’
‘Tuurlijk’, lacht hij. ‘Altijd.’

Vleugeltjes

{Brieven aan mijn vader en oma}

Ha pap, oma,

Toen ze nog geen week weg was, was het voor mij al tijd om mijn heil bij jullie te zoeken. Bovendien, ik was toch in de buurt en moest hond M uitlaten.
Zijspoor: het is maar welk narratief je voor je verhaal gebruikt. Narratief is sowieso een ongrijpbaar iets. Want hoe vertel je een verhaal, vanuit welke invalshoek schrijf je iets op? Zeg je: de ouders namen hun kinderen mee naar de demonstratie om ze te laten zien hoe belangrijk het is dat de overheid met fossiele subsidies stopt. Of: de politie pakte de ouders van de kinderen die bij de demonstratie waren op, omdat ze hun kinderen in gevaar brachten in verband met de waterkanonnen en schakelde Veilig Thuis in. Wie het weet mag het zeggen.
Ondertussen liep ik op de paadjes en rende hond M over de graven. Ik vond dat eigenlijk niet kunnen, maar niemand die het zag. Alhoewel ik me afvraag, pap, oma, of jullie dat wel oké vinden? Ik denk het niet.
Tegenover je, pap, ligt ene J. Ik vraag altijd of ik even op zijn steen mag zitten. En dan zegt J ja. Ik had een heel verhaal voor je klaar over je kleindochter. Gemis, loslaten, maar er kwam niks van. Ik zat alleen maar. Zag het maisveld, de zonnestralen tussen de oude eiken, van die vleugeltjes die uit de bomen naar beneden cirkelen. Ik hoorde insecten zoemen, vogels fladderden. En hond M lag lekker op het mos. Jij zei ook niks. Lag alleen maar.
Op weg naar jou, oma, liep ik om de grote, rode beuk die in het midden staat. Bovenin begon de herfst al te komen. Voor jou had ik geen verhaal, maar ik was nog niet bij je en ik wist: jij let op haar. Op je achterkleindochter. Net zoals je vroeger op mij lette.
Ik lijnde hond M toch maar aan en kriskraste tussen de stenen door jullie leven uit. Op naar Amsterdam, naar man E, naar de zoon en het bureau van de dochter. Maar eerst nog even langs de kaasautomaat. Ik weet niet of je weet wat dat is pap, oma jij zeker niet. Aan de Tweekarspelenweg, jullie wel bekend, is een boerderij met kaasmakerij. In een grote muur met allemaal kleine hokjes liggen achter deurtjes stukken kaas. Je kiest een stuk, tikt het nummer van het hokje in, betaalt en dan gaat het deurtje open. De kaas smaakt heel lekker en is niet duur. Net wat voor jullie.
Het was fijn pap, oma, tot de volgende keer, smok.

Bang voor rood, geel en blauw

Vriendin M had het al vaker over haar gehad. Over natuurtherapeut F. Ze ging er, met of zonder kinderen af en toe naartoe, vooral in tijden van verdriet. Als ze bij F was geweest voelde ze zich lichter, vertelde ze. Het leek mij maar niks: chakra’s, handen die boven je lichaam zweven… Het leek mij maar alles: herstel van energiebalans, ontspanning…
Dus vorige week ging ik ook. En toen, tja en toen. Dat is moeilijk. Probeer maar eens woorden te vinden voor zielen, vage gevoelens, de dingen tussen hemel en aarde.
Van tevoren had ik een beetje gegoogeld en gelezen dat je lichaam zeven energiecentra oftewel chakra’s heeft. Ze zitten tussen je bekken en je kruin en hebben alle kleuren van de regenboog. Ik was vooral bang voor de gele, die bij je navel zit en over zelfwaardering gaat. Als het daar rommelt, bekritiseer en beoordeel je jezelf. Ook op de rode zat ik niet te wachten. Dat is de eerste, de wortelchakra en als die uit balans is kun je je angstig, rusteloos en onveilig voelen. En nu ik het er toch over heb, de blauwe zat me ook niet lekker. Die zit in je keel en gaat over communicatie. Stroomt ie niet lekker, dan ben je gevoelig voor de mening van anderen.
Tijdens de behandeling – F zette inheemse muziek op en ik moest op mijn rug op een massagetafel liggen – kreeg ik het vlak onder mijn navel heel warm, kwam er hoofdpijn opzetten en had mijn lymfoedeem-arm het zwaar te verduren.
Nadat mijn chakra’s in balans waren gebracht – ik geloof niet dat ik dit schrijf – had ik last van mijn keel. F zei weinig, maar vertelde wel dat mijn chakra’s goed openstonden en dat ze lief, mooi en een rommeltje waren. Daar kon ik het mee doen. Of beter, daar kon ik wat mee.
Thuis vertelde ik er schuchter over. Man E had het over kwakzalverij, met de zoon kwam ik in een vruchteloze discussie over religie en chakra’s terecht en op mijn verjaardagsfeest zoomde iemand in op de ethische aspecten van een natuurgenezer. Zo vond iedereen er weer van alles over. Al die meningen, ze kwamen me de keel uit.

Week

De eerste dochterloze week was voorbij. De week had vol gezeten met chakra’s, hitte, entitlement, een sterrenhemel, tickets naar Miami en gênante videobeelden uit de jaren negentig. Te veel voor één stukje.
Ik appte en spraakberichtte de dochter een paar keer per dag en vroeg man E of het niet teveel was. ‘Vraag het haar’, zei hij. Dus dat deed ik. Een paar dagen hoorde ik niks. Geen nieuws is goed nieuws. Een uitdrukking van niks. In de categorie: je moet het een plekje geven… De tijd heelt alle wonden… Echt heel veel jeuk.
Toen was het mijn verjaardag en videobelde ze. Ze kon zien hoe ik mijn cadeaus uitpakte en ik zag haar wallen onder een paar stralende ogen. Er waren vriendengroepen, een tapasstraat, karaoke, het feest van de Virgin de la Vega, de namen van alle kledingstukken in het Spaans. Er kwam een huisgenoot in beeld, een vreemde kast met vertrouwde kleding en uitzicht op een luchtkoker.
Thuis moesten we verder met de voorbereidingen voor het verjaardagsfeest, maar zij wilde niet ophangen en ik wist waarom. Het contact zou verbroken zijn, ze zou zich alleen voelen en zich afvragen wat ze daar in vredesnaam alleen in die stad te zoeken had. Maar. Ze zou zichzelf ook weer oppakken en meegaan met de andere taalschoolstudenten naar het stierengevecht. En daarna zou ze een spraakbericht sturen waarvan zij daar en wij thuis misselijk werden. Zo eindigde de eerste week en kon de volgende niet anders dan beginnen.

Anders nooit

Zo ging het echt. We waren redelijk op tijd op Schiphol. Met ruimbagage van net onder de 23 kilo, een koffertje met tien kilo, een A4 schooltas die ik in 1999 in New York had gekocht en hond M. Man E parkeerde op P1, direct naast de bagagekarren. Afdeling Cow, vak 111. Het was net of ik naar Ajax ging. ‘Goed onthouden,’ zei de tienerdochter. Hond M dook de lange gang in. Op de loopband durfde ze niet. Op de roltrap evenmin. Toen we bijna bij de hal van het treinstation waren, ging ze in de welbekende houding zitten. Wel poep, geen zakjes. Man E rende terug naar de auto. De tienerdochter en ik stonden rond de poep te wachten. ‘Dat doet ie anders nooit’, zeiden man E en ik in koor.
De hal was ver. De rij was lang. De hond nerveus. Het afscheid warm.
Eenmaal in het Amsterdamse Bos probeerden we normaal te doen. Dat lukte alleen hond M. Af en toe keek een van ons op de telefoon. ‘Ze staat in de verkeerde rij!’ riep man E. ‘Het boarden is al over drie kwartier,’ ongerustte ik terug. We liepen verder, zagen niks. Hoorden ook niks, maar dat kwam omdat er op de A9 vanwege onderhoud geen auto’s reden. Bijna weer bij de auto stond er ‘Ik zit in het vliegtuig!’ in de groepsapp. Precies op dat moment begon hond M weer te poepen. ‘De opluchting’, zei man E en we lachten. Thuis in de hangmat ging het op afstand meereizen door. Het vliegtuig had drie kwartier vertraging. De koffers lieten lang op zich wachtten. De Spaanse overheid had een Civil Protection Alert gestuurd vanwege extreem risico op storm in de omgeving van Madrid. Zou de bus wel rijden? De geplande overstaptijd van vliegtuig naar bus was 2,5 uur. Zeven minuten voordat de bus vertrok stond de tienerdochter bij de halte en trokken wij een wel heel lekkere fles champagne open. ‘Alleen maar Pinot Noir, er zit geen Chardonnay in’, watertandde man E. Hij had er Franse geitenkaas en Italiaanse dipstokjes bij gekocht. Dat doet ie anders nooit.