Roze gras

Voordat ik erheen ging, liet ik hond M uit. We liepen langs de werklui die bezig waren met het herstellen van de kades langs de Amstel. Een van de keten stond open en mijn ogen vielen op een bijnablotevrouwen-kalender. Dat dat nog bestaat, ging het door me heen. Meteen gevolgd door, zou dit ook de sfeer zijn van de aandeelhoudersvergadering van Ajax van vanmiddag?
Een jaar geleden had man E – hij is een bèta, ik niet – 15 aandelen voor me gekocht. Daarmee had ik voor 0,0008% inspraak in m’n club. Er was een agenda met veel moeilijke punten – decharge, governance, gremia – waarover ik mocht stemmen. Ik vroeg ChatGPT om raad. Volgens Chat moest je tegen stemmen als je het niet eens was met de koers van de club, de prestaties op het veld, de transparantie van de organisatie of dat je een duidelijk signaal wilde afgeven. Nou dat was makkelijk.
De aandelen stonden op naam van man E – hij had ze tenslotte geregeld – en we waren vergeten om via de officiële kanalen de volmacht te regelen. Ik had een papier met z’n handtekening erop en een foto van z’n paspoort bij me. Best zenuwachtig stond ik op de roltrappen van de Johan Cruijff Arena die me naar de vierde verdieping brachten. Zou ik de vergadering mogen bijwonen?
Bij de aanmeldbalie werd meteen duidelijk dat ik niet in het systeem was opgenomen. Er moest een mannetje met een hogere functie aan te pas komen om mij binnen te laten. Ontspannen en tevreden hing ik het stemkastje om m’n nek. Voordat ik de zaal binnenliep, gluurde ik door de skybox deuren het stadion in. Direct boven het veld hingen talloze lampen. Het heilige gras lichtte roze op. Waarom die kleur? Was roze misschien goed voor het groeiproces? In de vitrines naast de ingangen van de skyboxen stonden bekers en schalen van afgelopen kampioenschappen tentoongesteld. Blinkend allemaal, maar ook veel te lang geleden.
Er zaten ongeveer 175 mensen in de zaal, bijna allemaal hadden ze een piemel. Waarmee ze ook nog eens ver konden plassen. Wat had ik ook anders verwacht?
Drie uur lang luisterde ik naar mannen die graag naar zichzelf luisterden en de meeste vragen niet beantwoordden.
Tijdens de toelichting van de financieel directeur, staarde ik naar het plafond. Er schenen witroodwitte spotjes. Ik schrok op toen hij zei dat er ook toekomstige financiële scenario’s waren opgenomen waarin Ajax geen Europees voetbal zou spelen. Ook verbazingwekkend: de huidige algemeen directeur, overigens nauwelijks zichtbaar in deze tijden van crisis, werd voor een periode van 1 jaar herbenoemd. Eén jaar maar? Hoezo continuïteit en stabiliteit van de club? Ook werd gemeld dat er meer seizoenkaarten waren verkocht dan in het jaar ervoor. Ik wilde nog iets vragen over de transparantie van de wachtlijst van die kaarten, maar ik had het lef niet. Ook niet toen ik na afloop per ongeluk naast de algemeen directeur stond die mij toch de ideale kruiwagen tot het verkrijgen van een vaste stoel leek. Algeheel dieptepunt was de opmerking van een van de aanwezigen dat dat toch geen punt was, die fotootjes van Overmars.
De vicevoorzitter van de RvC benadrukte in de rondvraag nog eens dat ze de toekomst met vertrouwen tegemoet zagen en tegen vuurwerk en voor gendergelijkheid waren. Misschien was dat gras daarom roze?
Ik sloeg de wijn, bitterballen en de gratis uitrijkaart over en liep bij de uitgang een cameraman van AT5 tegen het lijf. Wat ik van de vergadering vond? Ik probeerde iets van een intelligente mening te formuleren, maar hoorde mezelf later op het nieuws zeggen dat ik het allemaal heel erg vond. Dat sloeg op de aanstelling en prestaties van de ontslagen trainer, maar die vraag hadden ze eruit geknipt. Bleef de vraag waarom ik al met al naar zo’n vergadering toe ging?
Dat was logisch: het was mijn club, al was het maar voor 0,0008%.

Mismoedig

Daags na de vierde nederlaag in de Champions League verwoordde journalist Pot van het Parool ook mijn gevoel feilloos: ‘Dat veel hondstrouwe seizoenkaarthouders elkaar met droeve hartkramp toefluisteren wat je als supporter eigenlijk niet zeggen mag, namelijk dat het misschien wel beter is als er nog een paar keer verloren wordt?’
In een verververleden toen deze grijze breister nog supporter was van BV Veendam, was verliezen normaal. Je had er ook geen last van. Ex R heeft met z’n band Stad daarover nog het weemoedige lied Onderwegens noar Veendam gemaakt:
‘Onze club mout winnen, mor nait te voak
Aans is t net of ik der nait meer bie heur’
‘Onze club moet winnen, maar niet te vaak
Anders is het net of ik er niet meer bij hoor’
Bij Ajax is het precies andersom, daar is het adagium WZAWZDB. Maar winnen doen we niet, laat staan dat we de B zijn. We zijn de risee van Europa. Het lachertje van de Eredivisie en de beker is nog niet eens begonnen…
Waarom gaat het zo slecht? Dat is gelukkig eenvoudig. Omdat de club geleid wordt door een stelletje holbewoners die maar één ding belangrijk vinden: Ajax DNA. Oh pardon, twee, je moet ook nog een jongen van de club zijn. Maar mannen – en nee ik schrijf dit niet omdat ik nooit zo’n jongen zal worden – ik heb nieuws, het Ajax DNA is uitgestorven. De wereld is veranderd, het voetbal is veranderd. Dus probeer nieuw DNA te kweken en doe dat met creatieve, slimme en vooruitstrevende bestuurders en (technische) directie.
Vorig jaar lukte dat overigens wel, met de aanstelling van het Italiaanse lichtpunt, wiens naam ik zonder overvallen te worden door heimwee niet kan uitspreken. Maar hoe kan het dat diezelfde TD dit jaar heeft gekozen voor Heitinga, wiens belangrijkste kwalificatie ‘een jongen van de club’ is. En hoe kan het dat ik voor aanvang van Ajax-Heerenveen uitgebreid word gefouilleerd, terwijl stewards op zuid vrolijk toekijken als F-Siders onder een grote vlag hun vuurwerk in stelling brengen? Dit even geheel, maar wel totaal gefrustreerd terzijde.
Waar moet ik het als Ajax-liefhebber nog zoeken? In het spandoek ‘Form is temporary, greatness is forever’? In Youri Baas? Dat het nu best prima is dat ik nog steeds geen seizoenkaart heb? Op de aandeelhoudersvergadering volgende week, om m’n stem te laten horen tijdens de rondvraag? Of dat het nog maar een maand is en ik m’n Ajax kerstbal weer in de boom kan hangen?
Laat het eerst maar weer eens zondag worden. Utrecht uit. Altijd lastig.

Golden raand

Twee keer in één week stond ik in een Amsterdamse kerk uit volle borst het Gronings volkslied mee te zingen. Eergisteren in Paradiso en de zondag ervoor aan het einde van de Grunneger Dainst in de kerk op het Spui. Daar was ik zoals elk jaar samen met moeder A. Deze keer was het thema Nij begun en ging de preek over de genezing van een verlamde man. Jezus vergaf ’m niet alleen z’n zonden, maar zorgde er wonder boven wonder ook nog voor dat ie weer kon lopen. De dominee las voor: ‘Goa stoan! (…) en goa noar hoes tou. Loat e nou stoan goan en noar hoes tou lopen!’
Groningse grammatica op z’n best. Het mooiste woord dat ik hoorde was aanpittjen, dat het paard (pittje) aanzetten betekent, figuurlijk: aanvuren.
M’n Gronings hart was lekker gesmolten, m’n maag gevuld met kovvie en kouke van – wie anders – Knols Koek en ik had er weer een fijne herinnering met moeder A bij. Tevree snelde ik op de elektrische fiets van man E naar huis.
Afgelopen zondag ging ‘t weer heer. In de rij voor Paradiso bulkten vijftigers met noordelijke wortels om ons heen ‘Psst, psst, Hoornse plas’. En eenmaal binnen stond nog voordat Pé Daalemmer en Rooie Rinus waren begonnen, de hele kerk al op de kop. Spandoeken van de Spar, Groningse vlaggen en dansende mensen op klompen. Vrienden M en Y (geboren in Stad en Noordhörn) die met ons mee waren, hadden op weg van Brabant naar Amsterdam al uitgebreid meegezongen met onder andere Zundagoavend Blues met daarin de geweldige zinnen:
de papieren puut mit poepetonen dai ik van mien moeke
oet de vraizer mitkregen had
was al hailendaal deurwaaikt deur dai röttege regen

Ja, ja, ja! Poepetonen, Waalse bonen.
Het concert begon. ‘Bie d’olle Lopster toren, doar is het leven goud’, schalde het door de speakers, we blèrden Carnaval in t noorden mee, liepen de polonaise in Paradiso en natuurlijk mocht het Grunneger volkslaid niet ontbreken, deze keer niet stemmig uitgevoerd op een orgel, maar op gitaar, een snelle rock-’n-roll versie.
Zo ver zo goed.
Toen werd het lied over de FC ingezet en doken er ineens tientallen boeren in foeilelijke groen-witte shirts op. Wat moest die provincie ineens in mijn stad? In dé poptempel van Nederland de trots van het noorden aanbidden?! Heiligschennis was het.
Thuis moest daar over nagedacht: hoe Gronings was ik, als ik nog dieper in m’n hart van Ajax hield? Wat was belangrijker? De wortels uit je jeugd of je liefde voor een club? Of was het geen keuze en mocht het naast elkaar bestaan? Ik kwam er weer eens niet uit en werd gelukkig afgeleid door whatsapp. Een bericht van onze GroningseBrabantseFranse vrienden M en Y: Volgende keer bie ons!

Muur- en muurvast

Het is 25 jaar geleden dat m’n broer overleden is. Omdat ik m’n liefde voor hem wil laten leven en de herinnering aan hem koester, post ik de komende dagen fragmenten uit m’n dagboek uit die tijd. Dit is het laatste.

De mensen van de begrafenisonderneming schuiven m’n broer de auto in. Achterin. Hij had vast liever voorin gewild. M’n ouders, hun partners, E en ik rijden achter de auto aan. In de tussentijd past er een mevrouw op het huis. Het schijnt dat inbrekers rouwadvertenties lezen en tijdens de uitvaart hun slag slaan. Om dat te voorkomen kun je iemand inhuren die op je huis past. Op aanraden van E heeft mijn vader deze ‘service’ er gratis bij bedongen.
In het rouwcentrum doen we voor de dienst begint de kist dicht. De begrafenisondernemer pakt de deksel en legt ’m op de kist. Waarschijnlijk neemt iedereen nu echt voor het laatst afscheid, maar daarvan herinner ik me niks. We mogen de schroeven in de kist draaien en ik draai als een bezetene. Dat is nu van het allergrootste belang. De twee schroeven bij mij in de buurt moeten muur- en muurvast. Omdat dat het laatste is wat ik voor hem kan doen misschien?
R leest het verhaal van hem en m’n vader voor, Heleentje Gereed zingt, ik doe m’n verhaal, ex R zingt Lekkerroek en m’n moeder en A speechen ook. Ergens in de menigte gaat een telefoon. Met een stem als m’n broer roep ik keihard: ‘Telefoon!’ Iets wat ik in het echte leven nooit zou durven.
Dan rijden we van Zuidlaren, via Veendam, Nieuwe Pekela, Oude Pekela naar de Hoofdweg van Bellingwolde. Extra langzaam gaat het bij nummer 104 waar we allebei zijn geboren en nummer 98 waar we lang op de boerderij hebben gewoond. Achterin het dorp bij de kerk luiden de klokken al. Als we bij het graf zijn aangekomen, kan wie wil aarde op de kist gooien. De bewoners van het tehuis krijgen daar geen genoeg van. Ze blijven maar met aarde smijten.
Na afloop proosten we met port, cola en cassis op z’n leven. De familie en vrienden zijn lief. Er wordt getroost, gelachen en vastgehouden. Als alles alles alles voorbij is stappen E en ik in de auto. We gaan samen naar huis.

*Het schilderij is van Rita Dokter Wolf

Vier-uur-bezoek

Het is 25 jaar geleden dat m’n broer overleden is. Omdat ik m’n liefde voor hem wil laten leven en de herinnering aan hem koester, post ik de komende dagen fragmenten uit m’n dagboek uit die tijd.

E en ik gaan voor een nachtje terug naar Amsterdam. Op de deurmat ligt post van S. Hij heeft prachtige vakantiefoto’s van afgelopen zomer in Branceilles gestuurd. De levensvreugde spat er vanaf.
Ik wil naar ‘As the world turns’ kijken, maar vind er niks aan. Dit is de eerste keer in al die jaren dat ik naar de soap kijk dat ik denk: waar maken die mensen zich aldoor zo druk over?
De volgende ochtend gaan we weer terug naar De Groeve. We verwachten veel mensen die op condoleance komen. Om 16.00 uur komt het eerste bezoek: alle bewoners en de leiding van het tehuis. De bewoners zijn nogal druk en confronteren mij met het feit dat m’n broer ook ‘zo’ was. Als je dood bent, zie je dat gelukkig niet meer. Ik vlucht een tijdje weg naar boven.
Terug bij het bezoek drinkt een meisje cola. Dat doet ze expres zegt ze, omdat m’n broer dat ook altijd dronk. In kleine groepjes gaan alle bewoners bij m’n broer kijken. De drukke sfeer slaat om. De bewoners die hebben gekeken, zijn nu stil of moeten huilen. Er is één man met een pet op die bij het zien van m’n broer de pet direct voor hem afneemt. Als ze klaar zijn met huilen en stil zijn, beginnen ze moeiteloos weer met de dagelijkse routine: ‘Wat eten we vanavond?’ Om die eenvoud begin ik te huilen en meteen komt een bewoner me troosten.
Vanaf 17.00 uur komt de familie, vrienden, buren. M’n opa is er ook, samen met hem en m’n vader ga ik naar de kist. Drie generaties. Ik kan me niet voorstellen hoe het voor een opa moet zijn. Hij reageert precies zoals m’n vader: ‘Wat ligt e d’r mooi bie.’ De vrouw van een van m’n neven is ontroostbaar. Ze houdt niet op met huilen. R zegt dat ze eigenlijk tegelijk met het bezoek van 16.00 uur had moeten komen. En zo is er een nieuwe term geboren: ‘vier-uur-bezoek’.
Het stoort me dat m’n ouders zich nu ineens weer als twee-eenheid op mij richten. Er kunnen dan wel allerlei positieve kanten aan deze verzoening zitten, ik moet er ook erg aan wennen. Ze zijn heel stellig en overtuigend in hun manier van communiceren en nu moet ik daar ineens 1 tegen 2 tegenop boksen. Dat was makkelijker toen ze nog niet on speaking terms waren. Boos en geïrriteerd ga ik bij m’n broer zitten. Ook al is hij verstandelijk gehandicapt en nu ook nog dood, hij is de enige die me begrijpt. Onze verhouding als zus en broer is gelijkwaardig. Hele verhalen vertel ik hem: dat onze ouders gek zijn, dat ik een boek over hem ga schrijven en dat ik het zo niet langer kan volhouden en dat we hem daarom morgen naar Bellingwolde gaan wegbrengen. Hij begrijpt alles.