Zenen (zenuwen)

{Brieven aan mijn vader}

Hij ligt in de hangmat, pap, je kleinzoon. Het is vorige week donderdag, kwart over twee in de middag en vanaf drie uur kan zijn telefoon gaan. Hij staat teveel vijven, nu. Ja, inderdaad niet best. Vanmorgen zijn de N-termen bekend geworden. Nee, dat had je vroeger allemaal niet, normeringen en honderdsten achter de komma. In ieder geval, die N-termen zijn in zijn voordeel uitgepakt. Zijn kans op slagen is er 10% groter mee geworden. Hij heeft een Excel-sheet gemaakt waarop op allerlei manieren de kansen op slagen, één herkansing of twee herkansingen staan. Spaans telt niet mee, daar ligt de duim van Slob al op. Hij heeft al zijn examens zelf nagekeken, van mild tot streng en al die mogelijke uitkomsten met de verschillende N-termen ingevoerd en dan komen er allemaal verschillende zakslaag-scenario’s uit. Ik blijf maar denken en ik hoor het jou ook zeggen, stop toch al die moeite gewoon in leren, maar je kleinzoon doet het op zijn eigen manier. En bovendien, hij gaat straks een studie gericht op efficiency doen. Heb ik je dat al verteld? Business Analytics aan de VU. Ik heb het even opgezocht: ‘Je combineert wiskunde, informatica en bedrijfskunde om tot innovatieve oplossingen voor vraagstukken uit het bedrijfsleven te komen.’ Ja inderdaad, je schoonzoon achterna.
De hangmat wiegt heen en weer. Zachtjes of wat harder. Zweetlucht waait mijn neus in. Lichtjes en steeds sterker. De ketting met jouw zegelring eraan ligt op zijn borst. Op en neer gaat ie. Op en neer. Dan stapt hij met een ruk de hangmat uit – ‘Ik hou het niet meer’ – en loopt de trap op naar zijn kamer.
Herinner jij je het nog, pap? Jouw examenuitslag? Rond 1956 denk ik? Ik heb het er nooit met je over gehad. Maar ik neem aan dat je gewoon naar school moest. En dat er in de gang een lijst hing met alle namen erop, en een kruisje bij geslaagd of gezakt. Maar zenen had je vast ook.
Ik doe de woonkamerdeur open, bang dat ik hem niet hoor vloeken of juichen. Kan me zelfs niet meer concentreren op The Real Housewives of New York City. Het is al drie uur geweest. Als je gezakt bent, dan zullen ze je toch eerst bellen? Dus hoe langer het duurt, hoe groter de kans dat… Ook de hond aaien helpt niet meer. Ik ga onderaan de trap staan. Jij zult wel denken, ‘Dou toch rustig. Het komt wel goud met dat jong.’
Hoor ik hem nu ‘Dankjewel meneer’ zeggen? Halverwege de trap hoor ik het toch echt nog een keer: ‘Dankjewel, meneer.’ Hij hangt op, slaakt juichkreten die de mijne net overstemmen. Ik val hem in de armen, ai wat stinkt dat jong, maar ik ruik het niet. Hij is gewoon geslaagd pap, die kleinzoon van je! Na later uit de cijferlijst blijkt, op de efficiëntst mogelijke manier. Nog geen 0,1 te veel. De vlag uit, de tas eraan. Taart met champagne. Tranen met troost.

Grachtstraat 2, Zoutkamp

{Brieven aan mijn vader}

Overmorgen, op je sterfdag, ga ik met nieuwe grote broer R naar je geboortegrond. Dat heb ik een kleine tien jaar geleden met jou ook gedaan, een tripje door Het Hogeland. Zoutkamp, Ulrum, Zuurdijk… Hoogtepunt was het huis waar je geboren bent. Je vertelde me dat het een dubbele woning was. Jouw ouders woonden aan de ene kant, opa en oma van vaders kant aan de andere. Grachtstraat 2 in Zoutkamp. Gebouwd in 1939, een jaar voor je geboorte. ‘Mijn vader en opa hebben er toen beide 4.500 gulden voor betaald, wat toen best veel geld was.’
De quote hierboven komt uit het boekje met het levensverhaal dat ik over je heb geschreven. Ik vertel mezelf dat het helpt daar af en toe wat in te bladeren. Ik vertel mezelf dat het helpt, herinneringen aan je op te halen, over je te praten, naar foto’s te kijken, naar Danny Vera te luisteren…
Ik blijf mezelf vertellen dat het helpt. Maar na bijna een jaar is het nog niet gelukt. Ik kan jouw niet-bestaan niet integreren in mijn wel-bestaan. Vandaag begrijp ik ineens dat het nooit niet gaat lukken ook. Bestaan is de essentie van mijn leven, niet-bestaan de essentie van jouw dood. En ik denk dat daarom het enige dat echt troost biedt is, dat je nu voor eeuwig naast je laive jong woont. Overmorgen kom ik even bij jullie langs, gek genoeg verheug ik me erop.

Kuilgras onder de A10

Ik zie haar nog zo voor me, moeder A in een witte bikini met blauwe bloemen. Op een snikhete dag op een blauwe trekker. En maar heen en weer, met de breedste trekkerbanden die we hadden, met een slakkengang over een bult gras. Oom M bracht telkens weer een nieuwe lading van het land – gedroogd, geschud, geharkt – die aangestampt moest worden. Een paar maanden later, als het kouder werd, het gras niet meer groeide, sneed mijn vader dikke plakken van de bult af om er de koeien mee te voeren. Soms schimmelde het gras, dan had het landbouwplastic er niet strak genoeg omheen gezeten en was er regen naar binnen gesijpeld. Of was het gras juist te warm geworden, lees ik op Wikipedia, ook dan verrot het gras en stinkt het naar boterzuur. Stinken? Die smorende en verstikkende geur? Heerlijk! En het ruikt nog lekkerder als het, terwijl ik hond M uitlaat, ineens mijn neus binnendringt. Onder de A10 nog wel. Mijn Amsterdamse met mijn Groningse thuis vermengd.
Die werelden komen niet vaak samen. Maar afgelopen weekend had ik nog twee keer beet. Met de voorstelling van Marcel Hensema op tv en een interview met hem in de krant. Aangepast citaat: ‘Het publiek in ­Winschoten is niet anders dan dat in Zoetermeer of Harderwijk. En dát is Nederland. Er wordt hier vaak een beetje minnetjes gedaan over de provincie, maar de stad is juist de uitzondering. Amsterdam is een reservaat. Ik ben heel blij dat ik in Amsterdam woon hoor, en ik ben dol op de cultuur hier, maar ik vind bijvoorbeeld de programmering van de stadsschouwburg veel te highbrow. Als ik daar in de zaal zit, herken ik mezelf nauwelijks. (…) Theater gaat niet om dik betaalde ­directeuren of dure decors; het publiek, waar dan ook, wil gewoon mooie verhalen horen.’
En toen speelde Arjen Robben weer mee. In mijn postzegeltuin, precies in de streep zonlicht die tussen de huizen van de overburen doorscheen, lees ik een dag later het wedstrijdverslag: ‘Alleen zijn warmlopen is al genieten. De gretigheid spat ervan af. Robben zien voetballen is een genot. Door zijn manier van spelen. Zijn passie. Hard inspelen, combineren, bal vragen, bewegen, positie kiezen, aanzetten.’ Geen woord over de uitslag.

Magnolia

Ineens staan ze weer in bloei. Niet alleen in de tuin van Danny Vera, maar vast ook in Winschoten. Morgen ga ik kijken. Bomen in de straat waar mijn vader woonde, in de straat naar het station, de straat van de Chinees, de straat van mijn hardlooprondje richting Blijham. In lila, paars en roze krijsen ze het uit.
Soms staat er in dezelfde tuin een forsythia struik, met gillend gele bloemen. Elk vroeg voorjaar bracht mijn vader ze voor mij mee. Van mijn studentenkamer in Groningen, via het samenwoonflatje in Amsterdam Zuidoost, het huis met de mooie en suite koamers in de Rivierenbuurt tot het huis waar ik nu woon. Meer dan dertig jaar lang sneed hij ze af van een van de struiken rondom de boerderij in Bellingwolde, later plukte hij ze uit zijn tuin in Drenthe en toen hij in Winschoten woonde en geen tuin meer had, kocht hij ze voor me bij het tuincentrum. ‘Ook altijd hetzelfde, die takken’, dacht ik toen. ‘Ik hou helemaal niet van geel’, klaagde ik stil vanbinnen.
Ik zou willen dat ze dit jaar in hun knoppen bleven zitten. Dat ze zouden stikken in hun kleurenpracht. Ik zou willen dat ik ze niet zelf hoefde te kopen, maar ik doe het toch. Altijd alles hetzelfde. Het liefst.
Vorig jaar op deze dag was ik bij mijn vader op bezoek, tienerdochter had appeltaart voor hem gebakken. Een dikke toeve slagroom erbij. Toen hij het op had – het smaakte hem goed – liep hij met zijn rollator naar het raam waar hij zicht had op het dakterras. Een tijdje keek hij stilletjes naar de groei van zijn planten. Zo waarkt t.

Hoera!

{Brieven aan mijn vader}

Afgelopen vrijdag stond ik voor je graf te dansen. Nieuwe broer R en ik hebben het geflikt. We hebben op de begraafplaats geluisterd naar de vierman sterke afvaardiging van de kerk, onze poot heel erg stijf gehouden, gezegd dat we niet voor de kosten van het verplaatsen van de steen wilden opdraaien, excuses afgedwongen, dat laatste was zinloos, maar nou ja, het moest. Na de zakelijke kant van het verhaal, liepen we terug naar de plek waar je lichaam ligt en deze keer was je ziel er ook. Je was trots op me, omdat het me gelukt was. Ik stond voor je graf te springen van plezier. Alsof ik gescoord had in een voetbalwedstrijd. ‘Papa, papa, kijk eens, wat ik kan!’
Gisteren kregen we ter bevestiging een lieve mail van de kerk. Het ging over betreuren, sterkte, dierbaren, en er stond in dat de steen verplaatst gaat worden en de plek van jou en je zoon één mooi geheel gaat worden. Kan ik binnenkort fijn de tulpenbollen poten en wat gras inzaaien.
Morgen heb je een jarige kleinzoon. Eentje die de volwassen leeftijd bereikt in een week vol schoolexamens, in een lockdown, met een mondkap op. Eentje die een doos vol Holtkamp gebak krijgt, een memorabel cadeau, een stapel pannenkoeken en twee metershoge folieballonnen: een 1 en een 8.
Nee, deze keer kom je niet op zijn verjaardag, maar dat zou sowieso lastig zijn geweest met die avondklok.