Een tafeltje met bekers en een kan water, een doos tissues en vier poefjes. Vier kinderhoofdjes, twee donker en twee blond, kijken naar de foto van hun oma. Het oudste jongetje in een net overhemdje, serieus en wijs. Het meisje bedachtzaam, met natte ogen, haar haar in een rommelige visgraatvlecht. Het kleinste donkere jongetje zit met zijn armen rond zijn vaders been, achterstevoren op de poef. En de allerjongste, een boefje met warrig blond haar kan niet wachten tot hij een van de vier kaarsen aan mag steken.
Hun opa spreekt over dijken en doorgangen, en hoe dapper en definitief het is om naar de andere kant te gaan. De vader van de blonde twee schetst een jeugd zonder kleerscheuren, een onvoorwaardelijke moeder, een oma die voorlas en knutselde. De moeder van de donkerharige jochies huilt om haar allerliefste moeder en vraagt zich af wie ze nu moet bellen als ze het even niet meer weet. ‘Goed gedaan, mama’, zegt een van haar zoontjes als ze klaar is. Op de foto’s die tijdens de muziek worden vertoond, zien de vier kleinkinderen hun oma veranderen van zwart-wit klein meisje, jonge vrouw in oranje en bruine tinten naar de oma in kleur, die ze zo goed kennen.
Dan is het zover.
Er moet geplast, gesnoept, gespeeld, gedronken, gerend. Bij opa thuis, staren de twee blonde en de twee donkere hoofdjes nog even naar een scherm met gele Minions. Heel moe zijn ze, maar ook opgetogen. Zo laat als vandaag, zijn ze nog nooit naar bed gegaan.
Auteur: Ingrid Haan
Bloedkoraal
Ha papa, ik was toch al van plan deze week bij je langs te gaan. Ik wilde je vertellen dat we een steen voor je hebben uitgezocht, een steen uit een of andere Oostenrijkse berg, net als die van je zoon, en de tekst wordt ook mooi, ja laat dat maar aan mij over. We moeten het nog wel even hebben over de kosten, maar dat komt wel.
Maar nu is er dit. En had ik gewild dat je naast me zou zitten, maar ja wat heb je in dit leven te willen? Dus heb ik spullen gepakt van oma, een schortje dat ze ooit geborduurd heeft en een gehaakt zakje dat bedoeld was, denk ik, om walnoten in te bewaren voor het neutenschaiten met Pasen. Alle spullen om me heen gelegd, de blauwwitte kralen erbovenop. En de rode bloedkoralen die ik van je zusje heb gekregen vloekend omgedaan, omdat ik door de tranen de sluiting niet goed dicht kreeg. Ook nog het lijntje dat ik met jou en oma heb weg.
Ik heb geprobeerd hoop te halen uit een vlinder op de armleuning van de tuinbank, uit witte rozen die zich laten schikken, de vanzelfsprekendheid van de blik van mijn hond… Maar nee. Niks van dat alles.
Dus vanmiddag ga ik bij je langs en dan ga ik in je armen vallen en dan ga jij iets zeggen als ‘Zolang de kippen maar blijven broeden, komt het allemaal wel goed.’
Tante en nicht
Dezelfde slaapkamer.
En dezelfde dikke grijze sokken.
Allebei naar dezelfde basisschool.
Dezelfde humor.
Hetzelfde kapsel, allebei een bril.
Dezelfde smaak, in sieraden, schilderijen, bloemen en behang.
Dezelfde liefde van en voor haar moeder, mijn oma.
Allebei een man die van kippen houdt.
Elk een zoon.
Elk een dochter.
Geen wonder dat haar broer, mijn vader onze namen altijd door elkaar haalde.
De jongste en de oudste
Ha oma, ik weet wel zeker dat je toekijkt. Dan zie je ons zitten, je jongste dochter en je oudste kleindochter. In een tuin met vijf makke kippen, een vijver met waterlelies en een border vol witte chrysanten. Je dochter, almaar brozer, zet een doosje op de tuintafel. Ze vindt het fijn om alles weg te geven, zegt ze en haalt het deksel eraf. Brede armbanden, losse kralen, sieraden met een verhaal, in goud en nep goud. Je kleindochter hapert. Wat doet het ertoe welke ze krijgt, welke ze mooi vindt. Het gaat om het gebaar.
Ondertussen maakt je schoonzoon thee en spoort zijn vrouw aan een slok te nemen. Hij plukt een biscuitkruimel van haar t-shirt. Zijn de kippen ook weer blij. Eén kip is vernoemd naar je jongste achterkleinzoon, spierwit is ie. Het zou mooi zijn als ie zich als haantje zou gedragen, maar dat doet ie niet.
Je kleindochter is eruit, ze kiest een dunne armband die goed past bij de laatste armband die ze samen met haar vader kocht. Een tijdje houden tante en nicht elkaars handen vast. Het is stil. Het is goed zo. Dat vind jij toch ook, oma?
Curry comb

Daar reed ze, de fietskrat met een tie-wrap vast aan de voordrager. Flesje water, telefoon, ID en twee pennen in een linnen tasje erin. Ze suisde langs de Amstel, over het Rokin, het Spui op en sloeg een weg te laat rechtsaf. Snel wilde ze de eerste de beste steeg induiken, ze zag nog net hoe ie heette – Roskamsteeg – en vroeg zich ook nog een split second af wat het Engelse woord voor roskam was, maar haar voorband raakte de stoeprand. Terwijl haar fiets onderuit schoof, sprong ze zelf met een atletische boog de stoep op. De krat zat nog vast. Niets aan het handje.
Haar moeder, die een stukje achter haar fietste, zag het razendsnel en in slow motion gebeuren. Het deed haar denken aan haar geboorte, net iets meer dan 15 jaar geleden. Ook toen was het net alsof ze met een krachtige boog de aarde op sprong. Oogjes dicht, vuistjes geklemd.
Net zo zou ze nu het examen maken, daar vertrouwde de moeder op. ‘You are ready’, had de docent gezegd en de moeder herhaalde het nog maar eens: ‘Je hoeft maar drie woorden onthouden.’ De dochter rolde met haar ogen en verdween het gebouw in waar het Cambridge English examen op haar lag te wachten.
Ik ben er helemaal niet klaar voor, dacht de moeder terwijl ze door de stille stad naar huis fietste. Grip krijgen, weer iets om los te laten.