Genoeg geweest

{Brieven aan mijn vader}

Het is meer dan een maand nu, pap, je bent lang genoeg weggeweest. Het is tijd dat je me weer belt, dat je moeizaam en opgetogen uit de bank opstaat om me te omhelzen als ik langskom. Ja, het is zelfs tijd dat je me het gevoel geeft dat ik, wat dan ook, niet goed doe.
Ik weet het heus wel pap. Ik was er nota bene zelf bij. Ik heb gevoeld dat je langzaam kouder werd, geholpen om je je nieuwe blauwe trui aan te doen. Alle mensen gezien die afscheid van je kwamen nemen, huilend, respectvol, in de war. Eigenhandig de deksel dicht geschroefd. Toegekeken hoe je met kist en al over het terrashek de hal in werd getakeld, de lift in. Het gat gezien waarin je langzaam verdween en er zelf een hand aarde opgegooid. Ik ben nog weer terug geweest om te kijken of het gat wel helemaal dicht was. En in je huis gecheckt of je er misschien toch nog was. Maar je zat zelfs niet in je rookhok.
Het duurt te lang, pap. Het is tijd dat je me even vertelt wat ik met die dode blaadjes van de Japanse es moet doen, zegt wat je van mijn nieuwe jumpsuit vindt, vraagt of ik een kop thee voor in je wil schenken, ja met een beetje suiker ja, dat we toch nog een keer op een cruise gaan samen, Noorwegen hè? Dat je me belt om me te vragen hoe het met de toetsweek van je kleinzoon gaat, dat ik je kan vertellen dat je kleindochter in de hockeyselectie zit en je schoonzoon zo blij is met zijn nieuwe barbecue. Dat je hoofdschuddend luistert naar mijn verhaal over hoe ik samen met mijn vriendin een hondenaandelijn-bord uit het Amsterdamse Bos heb meegenomen. Gewoon dat, pap. Kom op. Zo moeilijk is het toch niet?

Liefde in tijden van de laatste dag

Vandaag kon ik het niet. Ik kon het niet aanzien dat je pijn had. De te harde stem van de thuishulp die je verzorgde niet aanhoren. Toen de bel ging, iemand van de apotheek met een doos luiers, kon ik niet opendoen. Toen de bel weer ging, een lieve schoonzus die haar vergeten tas kwam ophalen, kon ik niks zeggen. Toen de bel weer weer weer ging en er een nieuwe thuishulp op de stoep stond om, ja om wat eigenlijk, kon ik haar niet wegsturen noch binnenlaten.
Ik vluchtte naar boven en belde. ‘Het geeft niet dat je het niet kunt’, zei ze. En ze zei nog: ‘Je hoeft het ook niet te kunnen. Het kan gewoon niet. Vandaag kan alles gewoon niet.’
De huisarts kwam, zoals afgesproken. Ze was helder en serieus en ging met een stopwatch in de keuken zitten. Je ademhaling werd regelmatig, je gezicht ontspande, je handen lekker warm. Mijn nieuwe broer en ik zaten bij je. En ik pakte mijn eerste broer er ook bij. Ik kon dit. En jij kon het ook.
Vandaag ga ik je even bellen om dit allemaal te vertellen. En als je niet opneemt, schrijf ik het op.

Liefde in tijden van afscheid

undefined

{Brieven aan mijn vader}

Ja, pap en nu ben je er niet meer. Niet meer bij mij, maar wel bij Berthold.
Hij zal wel handenwrijvend naast je zitten denk ik. Jullie waren altijd al twee handen op één buik. Berthold was ook degene bij wie jij je kwetsbaar kon opstellen, aan wie je je liefde heel duidelijk liet zien. Je hield zijn hand altijd vast, keek hem aan met zachte ogen…
Dat was bij mij minder. Dat heb je ook wel eens tegen mij gezegd, dat alles vroeger om Berthold draaide en de rest op het tweede plan kwam, ik dus ook. Je zei letterlijk dat ik, toen Berthold zo ziek was, bij oma werd gedumpt. Maar op dat moment had ik me geen betere plek kunnen wensen dan in de warme, onvoorwaardelijke liefde van oma Bab.
Nee pap, dit wordt verder geen zielig verhaal, maar het heeft mij wel tijd gekost, om je liefde voor mij ook te zien en te voelen. Maar als ik heel goed keek en luisterde zag ik het. En hoe ouder ik werd, hoe makkelijker het ging.
Op een van onze cruises naar Noorwegen bijvoorbeeld. Zaten we boven op het dek, negende verdieping, bacardi-cola, witte wijn en voeren we door de machtige fjorden. We kregen het ineens over Berthold en jij pakte direct mijn hand vast.
Toen jij en Max de boerderij hadden verkocht en Berthold er niet meer was, ging het steeds fijner tussen jou en mij. Er was meer ruimte. Altijd stond je klaar met precies de goede sauvignon blanc, alle eten in huis, altijd een schoon, opgemaakt bed. Zorgzaam ja.
En je was er ook altijd als ik je echt nodig had, toen mijn verkering met Robert uitging stond je direct op de stoep van mijn studentenhuis in Groningen. Toen ik ziek was, kon ik daar altijd bij jou en Roelof over uitrazen. Toen Emar werd geboren, kwamen jij en Roelof ook gauw naar Amsterdam. Ik zie nog je gezicht toen ik je vertelde dat we Emar vernoemd hadden naar Berthold…
Zonder blikken of blozen betaalde je de kinderwagen. Terwijl, tja, ik heb een dure smaak, t peerdje het veul stro neudig. Volgens mij was dat een van de weinige keren dat je niet over de prijs hebt onderhandeld. En ook toen Lusan in ons leven kwam, stond je gelijk op de stoep. Wat was je blij voor Elout en mij dat ook zij gezond was. Dat ons al die zorgen die jij had gehad, bespaard waren gebleven.
We hebben samen heel veel leuke dingen gedaan. Toen ik in Groningen studeerde spraken we vaak af bij el Rubio, de homokroeg in de Zwanestraat, zaten we samen aan de bar met Roelof en Berthold en daarna steevast naar eetcafé Soestdijk voor spareribs.
Je was ook zo blij dat Elout en ik samen ons eerste huis in de Lekstraat in Amsterdam hadden gekocht, mede dankzij jou konden we dat financieel voor elkaar krijgen. Het was een prachtig jaren dertig appartement met en-suite kamers. Hoe vaak je dat wel niet gezegd hebt: ‘Zulke mooie koamers kriegen joe nooit weer.
En ook al die mooie avonden achter het huis in De Groeve. Als we gebarbecued hadden, deden we de houtkachel altijd aan en gingen we er in een halve kring omheen zitten, Emar en Lusan nog klein, maar die mochten langer opblijven. En dan samen gewoon een beetje bij het vuur. Eem zitten.
Gelachen hebben we ook veel. Op Gran Canaria een keer bijvoorbeeld, waar we na de verkoop van de boerderij met z’n allen zijn geweest, jij, Roelof, Berthold, Robert en ik. Zaten we daar met z’n allen in een Duitse gaybar en de barkeeper vroeg Robert: ‘Möchtest du nog ein Bier haben?’ ‘Ja gerne’, zei Robert. Hij dacht dat hij het aangeboden kreeg, maar jij moest de rekening betalen. ‘Dúúúr’, zal Berthold toen wel gezegd hebben.
En vorig jaar hebben we nog een nacht doorgezakt op het schip, samen met een Brits homostel, we voeren ergens tussen Corfu en Napels. Ik had mijn jurk en glitterlaarzen aan, jij een overhemd met colbert, zelfs een keer een smoking herinner ik me, en dan gingen we soamen aan de kletter. De mensen op het schip dachten altijd dat we man en vrouw waren, Mr and Mrs Haan. Wat hebben we daar om gelachen.
Pap, je hebt mij geleerd om overal met een open blik naar te kijken. Dat niks te gek is. Ik mocht als enige van mijn vriendinnen de film Turks Fruit zien, prompt kwamen die meiden ook direct bij ons langs om te kijken. En toen ik op stap ging, naar ’t Pleintje in Winschoten, kwam jij daar kijken waar ik elke vrijdag- en zaterdagnacht uithing. Ik schaamde me kapot, maar ik denk dat ik het nu bij Emar en Lusan ook ga doen. Sorry jongens.
In het begin vond ik het vreemd dat jij net als mama ook met iemand van hetzelfde geslacht aan kwam zetten, maar ik zag hoe je door Roelof weer opleefde. Ja pap, alles moet inderdaad gewoon kunnen.
En je hebt me laten zien dat je de heleboel kunt relativeren zoals jij dat had geleerd van Berthold. Mijn mooiste herinnering daaraan is toen ik twintig jaar geleden met Elout kampeerde in Italië. We waren in een dorp verderop uit eten en toen we het restaurant uitkwamen bleek het noodweer te zijn. Het goot het van de regen. Storm, bliksem. Wij gauw terug naar de camping. De tent stond nog rechtop gelukkig, maar alles was kletsnat. In paniek belde ik jou op, je luisterde voor de zoveelste keer naar mijn emotionele geraas en zei alleen maar: ‘Mörgen is alles weer dreuge.’
Ik heb langzaam geleerd steeds meer van je te houden, daarom heb ik het nummer Stone into the River, van Douwe Bob gekozen waar we zo naar gaan luisteren, omdat dat lied alles zegt over liefde die kan groeien. En mij doet hechten aan mijn Groningse wortels.
Papa, met jou is mijn vertrouwde Groningse thuis weg, maar ik heb er gelukkig nog één, een Amsterdams thuis mit ’n golden raand en ik ga hier in Groningen een nieuwe maken. Samen met Roelof, mijn grote broer.
Dag pap, ik hou van je.

Pilletjes

In mei 2010 begon ik jullie te slikken. Dat was verstandig, zeiden de artsen en ze vertelden me over statistieken, percentages en overlevingskansen. Maar ook over opvliegers, pijn in de botten, depressie en gewichtstoename, allemaal waar overigens.
Jullie zijn met me mee geweest naar de Rocky Mountains, Las Vegas, de Noorse fjorden, Schotland en Schiermonnikoog. Mijn belangrijkste bagage, tien jaar lang.
Het grootste avontuur dat we samen hebben meegemaakt was op een camping in het snoeihete Blythe, California, aan de Colorado River. Het was zondag, aan het eind van de middag en de toiletdeur van onze camper viel dicht en sprong daarbij in het slot, terwijl er niemand binnen was. Dikke paniek, omdat jullie in je stripjes nu achter slot en grendel lagen. Niemand kreeg de deur open, ik niet, man E niet, de campingeigenaar niet… Gelukkig kwam onze Amerikaanse – ‘I’m an airco kinda guy’ – buurman met de tip een slotenmaker te bellen. Na een uurtje kwam de locksmith langs, vrouw achter het stuur van de pick-up, hij ernaast, sixpack op schoot. In één seconde had hij de deur open, met een Ikea inbussleutel. Opgelucht zag ik jullie in het badkamerkastje liggen.
Nu zijn de tien jaar om. De doosjes op, de strips leeg, ongeveer 3650 pillen ingeslikt. Soms met te weinig water en dan proefde ik jullie bittere smaak, soms met te veel wijn en dan wist ik het niet zeker, soms in tranen om wat was of waar ik bang voor blijf. Maar de meeste gewoon gedachteloos. Vanavond nog eentje.

Liefde in tijden van wortels

undefined

Ha broer,
Je weet toch nog die ring die papa altijd om heeft, een brede gouden met zijn initialen erin? Letters? Vormen? Ach, je begrijpt het ook wel. Toen ik laatst bij hem was en we samen macaroni zaten te eten, vertelde hij dat hij die ring in 1966 van mama heeft gekregen, ik denk voor hun huwelijk of hun verloving misschien. Hij legde zijn hand op tafel, wees ernaar en zei dat die ring voor je neef is, straks als hij… Nou allemaal gehuil natuurlijk.
Weer met tranen vertelde ik het later aan je neef die vooral benieuwd was waar de letters voor stonden, de H is onze achternaam natuurlijk en de K papa’s voornaam. Maar de M van Marten, wie was dat ook alweer? Ja, jij bent ook naar hem vernoemd, net als papa. Marten was de opa van papa, oftewel de vader van oma Barbertje. Hij ligt begraven in Zoutkamp. Papa en ik zijn daar eens op de begraafplaats geweest toen we op zoek waren naar onze wortels. Overopa Marten is maar 46 jaar geworden. Hij was getrouwd met overoma Janna die achterbleef met negen kinderen, waarvan oma Barbertje de jongste was, net een half jaar oud. Heel triest allemaal. Maar wat wel weer mooi is, is de tekst die op de grafsteen staat: ‘Daar is maar als ééne schreede tusschen mij en tusschen den dood!’ Dat is een regel uit de Bijbel en betekent dat je maar één stap bij de dood vandaan bent. Of heel vrij vertaald, een ongeluk zit in een klein hoekje. Dat is iets waar ik heel lang over na kan denken, ook over dat uitroepteken trouwens, maar ik denk niet dat het jou wat boeit. Je neef ook niet, die maakt alweer grappen over het omsmelten van gouden ringen.
Nou, tot gauw hè?