Op tv

‘Ik slik antidepressiva’, hoorde ik mezelf op AT5, de Amsterdamse stadszender, zeggen. Dat zat zo:
Het programma ‘Straten van Amsterdam’ zocht mensen die mee wilden werken aan een item over de straat waarin ik woon. Ik dacht, ik promoot mijn blog, onze wijkkrant en ga zeuren dat er hier nog steeds geen supermarkt is. Dat is allemaal gelukt. Ook al hield de presentatrice de microfoon te dicht bij mijn mond (Waarom zei ik niks?), kwam ze niet geïnteresseerd over (Waarom zei ik weer niks?) en liepen Mokum en ik onnodig met de crew mee naar mensen verderop in de straat die ook werden geïnterviewd om de achtergrond op te leuken (Waarom deed ik dat?).
Zo zit het ook:
Eenmaal op televisie bleek ik best mezelf. Alhoewel het de vraag is of je wel jezelf bent als je antidepressiva neemt. Maar daarover een andere keer. Ook in het fragment waarin ik vertel dat ik die pillen slik en waarom het zoveel makkelijker is daarover te schrijven dan erover te praten, zie ik iemand die ik ken. Mensen zeiden, appten en merkten op: Meisje toch, wat doe je dat goed. Geweldig. Wat tof. Je kunt trots zijn op jezelf dat je dit hebt gedaan.
Mooie woorden. Maar het meest bemoedigend waren de reacties van puberdochter: ‘Mam, er kijkt helemaal niemand naar AT5.’ En puberzoon: ‘Zeker een heleboel nieuwe volgers op je blog gekregen na de uitzending.’
Dus als je wilt:
https://www.at5.nl/artikelen/e27840/amstelvlietstraat

Vastbijten

Grommen doe ik alleen als ik iets los moet laten, een tennisbal bijvoorbeeld. Op het grasveldje naast Roeivereniging Willem III, vlak bij de geiten die daar in een weitje staan, gooit mijn baas vaak met een bal. Pijlsnel ren ik er achteraan, kom met de bal weer terug, ga zitten en kijk haar uitdagend aan. De bal klemvast – net als André Onana – in mijn bek. Hoe harder ze roept dat ik moet loslaten, hoe steviger ik me erin vastbijt. Grrr, grrr.
Als ik los zou laten, zou zij de bal weer weggooien en zou ik er als een Dafne Schippers achteraan kunnen. Dat weet ik wel, maar het is gewoon te moeilijk.
Mijn baas bijt zich ook liever vast, terwijl ze beter kan loslaten. Als het met bakken uit de hemel valt en mijn puberbaasjes willen hun regenbroek niet aan, blijft ze daar maar over doorzeuren. Halen ze een onvoldoende, dan kan ze het niet laten om te zaniken hoe stom dat is. Laat ze toch met rust denk ik dan, jij wordt toch niet nat?! En je hebt je diploma ook allang.
Nu heeft ze zo’n zelfhulpboek gekocht, ‘Problemen laten bij wie ze horen’ staat er voorop. Met een markeerstift streept ze bijna alle regels gifgroen. De stift stinkt zo erg, dat ik niet naast haar op de bank wil liggen. ‘Kom dan, kom dan’, blijft ze aandringen, maar ik wacht wel tot ze het boek uit heeft. Wie weet kan ze mij dan ook leren hoe ik de bal moet loslaten. Maar, als ik eerlijk ben, ik moet het nog zien. Grrr.

Glunderen

Hemelvaartsdag ben je alweer jarig, broer, 49 zou je deze keer worden. Weet je nog je laatste verjaardag, toen je dertig werd? Wat een feest was dat. Omdat jij nooit zou afstuderen, trouwen of een kind krijgen, had mama bedacht om ter ere van je dertigste verjaardag een heuse receptie te geven. En natuurlijk ook omdat je zo gek was op gezelligheid.
Met de leiding van het tehuis waar je woonde, was je van tevoren naar de kapper geweest, je wangen waren glad, papa had je lekkerroek opgedaan, je had je horloge om en natuurlijk droeg je je mooiste kleren. Een hip vest en een bruine broek met een groen shirt. Groen & broen of gruin & bruin, dat verhaspelde Gronings-Nederlands, daar lachen we thuis nog altijd om.
Op mijn werk had ik een officiële uitnodiging gemaakt. JARIG! stond er boven een afbeelding van koe die een taart uitscheet. ‘Mag niet’, zei je grijnzend toen je de kaart zag en je sloeg je handen voor je mond.
Boshotel Ruyghe Venne in Westerbork had een speciale zaal met een terras voor je gereserveerd. Bij de ingang stond een bord met je naam erop, daar poseerde je trots voor, ook al had je geen idee wat er stond. Mama had een corsage met een witte roos voor je gekocht, die papa je voorzichtig opspeldde, met het steeltje omlaag, zoals het hoort bij mannen.
Als een koning zat je op het terras, met uitzicht op de parkeerplaats en wie er ook uit de auto stapte, bij iedere gast glunderde je van onder tot boven.
Op de tafel naast je groeide de stapel cadeaus: niet alleen koeienpuzzels met heel veel stukjes, maar ook koeienkussens, koeienschilderijen, koeienmokken en een zwart-wit gevlekte pet die nu in de kamer van je neef hangt. Je nicht bewaart haar sieraden trouwens in het koeienladekastje dat je kreeg. Maar het mooiste cadeau was een mok met een man in een zwembroek erop. Als je een warme drank in de mok goot, ging z’n broek naar beneden en zag je z’n… Ja, ik weet het. Mag niet.
Je mocht op de stoel staan, papa hield je goed vast, en al je favorieten zongen ‘Lang zal je leven’. De cola en de cassis werden aangesleept, er was taart en chips en bitterballen, het hield niet op. Je werd gefilmd, gefotografeerd, voor eeuwig vastgelegd.
Wat een feest was het hè? Volgend jaar als je 50 wordt, moeten we het nog maar een keertje overdoen.

Groningse liefde

Arriva-trein Ede Staal stopt in Sappemeer-Oost. Een vrouw met een krijsende dreumes stapt in, ik pak mijn oortjes om te luisteren naar een net opgenomen take van de band van mijn oude Groningse liefde. Meer dan een kwart eeuw zijn de vijf mannen stil geweest, maar nu katapulteert de metal mij naar de kamer in de Torenstraat, met uitzicht op de platenzaak van vrouw Hekman. Het is 1991.
Er zijn groene ogen, lange haren en grote voeten in witte sokken. Er is zelfgemaakte kipkerrie, het bord op schoot, de blik op Studio Sport. Er is een eenpersoonsbed waar we makkelijk samen in passen. Er zijn dunne wanden waardoorheen je het buurmeisje en haar vriend hoort. ‘Vindst het fijn als ik over dien buuk spoit’, zegt de vriend. ‘Mwah. Gaait wel’, antwoordt ze. Er is lol, oneindig veel lol. Over tosti’s, ananassen, Mainzelmännchen en voetbalplaatjes van spelers met snorren. Er zijn optredens tot in Tivoli en Paradiso aan toe, waar ik verlangend luister naar teksten waarvan ik hoop dat ze over mij gaan. En kijk naar een woedende en kwetsbare zanger waarvan ik denk dat hij van mij is.
Drie minuten en 48 seconden duurt het nummer, precies de tijd die de Ede Staal erover boemelt om van Sappemeer-Oost in Zuidbroek te komen. De dreumes sabbelt op een speen. Nog elf minuten en een stop in Scheemda en ik ben terug in mijn jeugd. In Winschoten, waar de metalband na ruim 25 jaar een eenmalig optreden geeft. Ik ben inmiddels oud genoeg om toe te geven dat de muziek te ruig voor me is. Voel me te stads in het prachtige festivalpark. Maar voor een half uurtje is de zanger nog net zo woedend als toen, zijn zijn ogen nog net zo vurig groen en hoop ik dat mijn Groningse liefde nooit over gaat.

Schouders

Mompelend komen de mensen binnen, maar de dochter kijkt niet om. Ze zit in het midden op de voorste rij, tussen haar man en haar broer en staart naar de kaarsen, de foto, het roze rozenhart op de kist. Haar frêle schouders zijn gestoken in een mosterdgele blouse van satijn. Ze heeft altijd al gevoel voor stijl gehad, net als haar moeder.
Als iedereen zit, valt de stilte in. Dan begint de spreekster te vertellen over de tijd dat de moeder een klein braaf meisje was. Het kastanjebruine halflange haar van de dochter wiegt een beetje heen en weer. Af en toe draait haar hoofd naar links, naar haar man en trekken haar schouders zich lichtjes samen.
‘Ik lijk het hoe te zien, maar het waarom maakt dat de haren mij te berge rijzen’, citeert de spreekster uit een raak gedicht. De rechterschouder van de dochter buigt naar haar broer.
Het verhaal vertelt verder over het geleefde leven van een lieve, zorgzame maar ook angstige vrouw. De dochter draait haar hoofd wat schuin. Het zonlicht schijnt op het diamanten oorringetje, de weerkaatsing aait haar wang. De namen van haar drie kinderen klinken en hoe blij oma met ze was. Alle drie kijken ze even opzij, naar hun moeder. De dochter spant haar schouders nog wat aan.
‘Pak mijn hand en voel het stromen, de liefde die ik bij me draag, ik vraag je…’ klinkt er uit de luidsprekers. Haar schouders zakken een stukje lager, een eindje dieper tot ze haar hoofd laat rusten op de schouder van haar man. Een schouder die voor even het dubbele moet dragen.
Nog een lied, nog een woord en dan is alles gezegd. Voorbij. De mensen schuifelen één voor één langs voor een laatste groet. De dochter staat rechtop en ondergaat de stoet. Met een keel die slikt. Gevouwen handen waar ze hard in knijpt. En ogen die naar binnen kijken. Pas als iedereen is langsgelopen, ontspannen de mosterdgele satijnen schouders zich. Haar zorg als dochter is voltooid.

Eerste citaat uit gedicht ‘ Zandloper’ van Jean Pierre Rawie
Tweede citaat uit ‘Breng me naar het water’, Marco Borsato