Heen en terug

Zodra ze de straat uitfietst, zit de wind tegen. Op de fietsbrug over het kanaal is de lichtste versnelling niet licht genoeg. Een hardloper haalt haar in. Op de brug over de rivier laten rukwinden haar stilstaan. Aan de lange rechte weg richting het congrescentrum komt geen einde. Ze trekt haar schouders nog krommer.
Vlakbij het station begint het te hagelen. Ze schuilt onder een viaduct, bussen denderen over haar heen. Witte steentjes ketsen op het beton. Als de hagel ophoudt, fietst ze verder, langs het stadion waar het fietspad is afgezet. Een grote geknakte tak achter wapperend rood-wit lint. Een scooter haalt haar rakelings in. Nog steeds tegenwind. Over de sluis ploetert ze, langs de haven, onder de ringweg door. Uitpuffen als het stoplicht net op rood springt. Nog één keer linksaf. Dan is ze er.
De fiets op slot, het zieke huis in. De draaideur door, die weeë geur, die ingehouden stemmen, die bedompte sfeer en altijd weer die vrouwen met vakkundig geknoopte sjaals rond hun hoofd.
Een smetteloze man, zijn haar net zo wit als zijn kleding, roept haar naam. En doet de deur van de kleedkamer van het slot. Of ze haar bovenkleding uit wil doen. Draaien, duwen en doordrukken. En nog een keer. Draaien, duwen, doordrukken. De witte broeder kijkt op zijn schermen, de foto’s zijn gelukt zegt hij.
Zonder dat ze het merkt, kleedt ze zich weer aan. De deur van het kleedhokje blijkt niet op slot. In de hal ruikt het naar verse koffiebonen. Met de klok mee gaat de draaideur nu. Haar haar in haar gezicht. De fiets weer op. In de berm naast de trambaan bloeit een bedje narcissen. Het licht gaat net op oranje, dat haalt ze wel. De wind, opgehoopt in het viaduct, stuwt haar voort. Bomen langs de tennisbanen buigen met haar mee. Frisse regendruppels vallen op haar handen als ze de tunnel uitrijdt. Op de kruising bij de rechtbank geeft een taxi haar voorrang. In het park zwiepen de takken van verwachting. De wind blijft maar meewaaien. Zonder te trappen vliegt ze het ophaalbruggetje op. Nog één bocht, dan is ze er. Volgende week weer heen, voor de uitslag. En terug.

Lege koffer

Hij heeft de sleutel nog. Heeft ze nooit teruggevraagd en hij was te gekrenkt om ’m terug te geven. Hoe lang is het geleden dat hij hier is geweest. Bijna anderhalf jaar? Kom ’s middags maar, dan ben ik er niet, stond er in haar app.
Zijn naam staat nog op de voordeur, onder die van haar. Heeft ze niet weggehaald, vindt hij niks voor haar. Door het raam naast de voordeur ziet hij zijn koffer al klaarstaan. Vol butsen en krassen van hun gezamenlijke reizen. Ze wil zeker niet dat ik verder het huis in ga, vult hij in.
Hij draait de sleutel twee keer naar rechts, veegt zijn voeten op de droogloopmat en kijkt discreet de gang in. Alsof hij hier eigenlijk niet mag zijn, een vreemde op bekend terrein of een bekende op vreemd terrein, daar komt hij zo gauw niet uit. De deurklink naar de woonkamer maakt nog hetzelfde krakende piepje, in een van de vierkante tegeltjes boven het aanrecht herkent hij de barst, de fluwelen gordijnen die hij haar gunde zijn net niet helemaal open… Maar er zijn ook dingen veranderd, op de plek boven de bank, waar altijd een uitvergroting hing van hun schaduwen op een palmbomenstrand, hangt nu een zwart-wit portret van twee ineengestrengelde handen.
Er is een ander. Plompverloren had ze het gezegd. En voor hij het wist, zat hij op een flatje aan de andere kant van de stad. Tussen de dozen. Hij dacht dat hij alles had meegenomen, maar in zijn verdriet was hij de berging in de parkeergarage vergeten. In wandrekken van vloer tot plafond had zij daar al hun reisspullen opgeborgen. Altijd maar onderweg, daar willen zijn waar je niet bent, het was meer haar ding geweest dan het zijne. Maar nu moet hij echt op reis. Hij is uitgenodigd om naar Blackpool te komen, om zijn nieuwste trucs te promoten op een groot goochelaarscongres. Hij vindt het nog steeds moeilijk te geloven, dat dat zijn werk is, goocheltrucs verzinnen. Alhoewel hij zich altijd thuis heeft gevoeld in de wereld van de magie.
Hij hangt de foto ietsje scheef en laat de deurklink nog één keer piep-kraken. Dan tilt hij de koffer op. Deur op slot. Sleutel door de bus. De hoek om. De koffer bungelt in zijn hand. Even geen bagage.

Met de wijzers in de weer

Dat hij in zijn laatste dagen zit, dat idee heeft hij. Op zijn vaste bankje in het park, met uitzicht op ontluikend geel-paars-wit, haalt de oude man een leren etui en een doosje lucifers uit zijn binnenzak. Mijn vaste dagelijkse pretje, denkt hij bij zichzelf en trekt aan de sigaar totdat de punt flink gloeit. Wie weet heeft hij van alles onder de leden, wie weet ook niet. Maar nu, hier, in de eerste zonnestralen van het jaar die z’n oude botten opwarmen, is alles goed. Langzaam blaast hij een wolk rook uit. Zijn hond, die hij Focus heeft genoemd om hem eraan te herinneren wat belangrijk is, ligt een eindje verderop aan een tak te kluiven. Zodra hij de tabak ruikt, komt hij aangekwispeld en vlijt zich tussen de twee voeten van de oude baas. Een van z’n lange oren valt over de veters.
De dagen worden langer, mijmert de oude man, dat gedoe met de klok komt er weer aan. Misschien is het wel de laatste keer dat ik met de wijzers in de weer moet.
Vroeger, toen was hij daar niet mee bezig, met de tijd. Al die dagen die hij beleefd heeft, verslonden, verspild en verdrongen, ze zijn allemaal oud. Ineens komt er een Groningse uitdrukking bij hem boven: ’n Olle van doagen. Ja, dat ben ik, herhaalt hij naar niemand in het bijzonder, ik bin ’n olle van doagen.
De hond staat op, omdat hij een bal in het vizier heeft gekregen. Hij zet een paar stappen, maar bedenkt zich en gaat weer bij de baas liggen.
De oude man blaast nog eens diep uit. Traag waait de wolk een kale trompetboom in en lost op tussen de takken. Oud, ja dat is hij zeker, maar der dagen zat? Nee, dat is hij alleszins niet. Laat ze maar komen die dagen, glimlacht hij, pretjes heeft hij nog genoeg.

Geen sjoege

Ze zal vast ergens zijn, het meisje, het dappere meisje met de blauwe pretoogjes. Het meisje dat van knutselen houdt, van honden, van melig doen met vriendinnen en van rustig aan. Heeft ze zichzelf verstopt in een zee van knuffels? Is ze meegevoerd door een allesverslindende draak? Is ze, licht als ze is, opgelost in een mist die met één veeg de horizon kan uitgummen?
De ratio doet z’n uiterste best haar op te sporen. En komt aan met strakke schema’s, strenge regels. Vanuit haar schuilplaats bestudeert het meisje het dikke draaiboek. Er staan best logische dingen in vindt ze, maar ze is te koppig om zich eraan te houden.
Ook de liefde blijft zoeken. Ook al zijn de plekken verkeerd, de momenten misplaatst en de manier waarop overhaast. De liefde is bang dat ze het meisje kwijtraakt. Bang voor de draak, voor de mist, ja misschien vreest de liefde zelfs de liefde.
Niemand, ook haar familie niet, kan haar écht vinden. Wanhopig schuimen al haar dierbaren de verstopplekken af. Ze geven alles wat ze hebben, maar het meisje geeft geen sjoege. Af en toe en echt maar voor heel even, denken ze een glimp van haar op te vangen. Maar ze hoeven maar iets te lang, iets te veel, iets te hard… of het meisje vlindert vrijwel onzichtbaar haar geheime fort weer in.
Toch fluistert het allerbinnenste binnen van het meisje dat ze gevonden wil worden. Maar hoe dan? Hoe dan? Hoe? Als de mensen die van haar houden haar durven loslaten? Als haar zelfgebouwde fort afbrokkelt? Of moet ze eerst zichzelf ontdekken? Erachter komen dat ze prachtige pretogen heeft. Dat haar vriendinnen gek op haar zijn, omdat ze zulke flauwe grappen maakt. Haar ouders van haar houden, enkel en alleen omdat er van haar maar één is. Dat ze van top tot teen echt helemaal oké is.
Als ze de liefde maar zou durven toelaten, zou ze zichzelf kunnen laten zien aan iedereen die er oog voor zou hebben.

Natte onderbroek

Tim Fransen, cabaretier en filosoof, is naar de apotheek gegaan en heeft een stapel folders met kwalen uit het rek gehaald. Als ik bij hem in het theater zit, haalt hij ze tevoorschijn. De eerste flyer gaat over ongewenst urineverlies. Eén op de vier vrouwen boven de 35 en één op de acht mannen heeft daar last van. Er zitten ongeveer 500 mensen in de zaal, gezien de jonge gemiddelde leeftijd, zouden dat dan, berekent Tim, zo’n vijftig mensen zijn.
‘Wie o wie?’ vraagt hij en wappert met de folder in de lucht. Eén vrouw steekt voorzichtig haar hand op, het is te donker om te zien wie het is. Ik krijg het benauwd. Begin te schuifelen op mijn stoel.
De tweede folder gaat over aambeien en andere anale klachten, ook hier weer Tims vraag: ‘Wie?’ Volgens de statistieken kampt één op de vijf Nederlanders ermee en dan vooral mensen boven de vijftig. Daarvan zitten er tientallen in de zaal, maar wederom steekt maar één vrouw haar hand op en nee het is niet diegene met de natte onderbroek. Tim zegt dat hij beide vrouwen erg dapper vindt. En ik krijg buikpijn omdat ik grappen schrijf over dappere mensen, maar zelf niet dapper durf te zijn, omdat ik bang ben dat mensen anders grappen over mij maken.
Inmiddels hangt er boven de zaal een loodzware deken, of in ieder geval boven stoel 16 rij 9. Daar zit ik. En ja hoor, de volgende folder gaat over antidepressiva, maar liefst 1 miljoen Nederlanders slikken elke dag pillen om zich beter te voelen, maar in de Kleine Komedie voelt iedereen zich prima van zichzelf. Er gaat geen enkele hand omhoog. Tim houdt nog een filosofische verhandeling over verhullen en dat dat mens eigen is, maar mijn hart bonkt te hard om dat allemaal op te nemen.
Op de fiets terug, de nacht is koud en helder en de Amstel schijnt blauw op, vraag ik mij de dingen af. Waarom heb ik mijn hand niet opgestoken? Heb ik spijt? Waarom durf ik niet hardop zeggen, dat ik pillen nodig heb om te kunnen functioneren? Ik ben niet gek, ik schaam me. Terwijl ik van één ding heilig overtuigd ben, zoals schrijver Andrew Solomon zegt: ‘When we are ashamed, we can’t tell our stories. And stories are the foundation of our identity.’
Een paar dagen later zit ik met mijn moeder bij Loetje biefstuk met een plas boterjus te eten. Ze is blij dat ik de laatste tijd zo goed in mijn vel zit.
‘Als ik je bel’, zegt ze, ‘kan ik aan je stem horen, hoe het met je gaat.’
‘Wat hoor je dan?’
‘Ja, sinds je die pillen slikt, slis je veel meer.’
‘Sllliisssttt? Zoiets?’
Ze lacht. Ik lach harder. Samen lachen we om het hardst. En verslikken ons tijdens het eten in geslis. Van een normaal gesprek is geen sprake meer. Eenmaal thuis staat de app vol met sllliisssttt-geluidsfragmenten. En krijg ik ook nog een natte onderbroek.