Lampjes uit

Trillend probeerde ik m’n fiets van het slot te halen. De middelste Ajax buurjongen (er zijn er drie) was al bezig de Amsterdamse vlag voor het raam te hangen. Wat helaas niet lukte, iets met een touwtje en een knop en een haakje die niet pasten.
‘Ik ga naar Eindhoven,’ zei ik.
‘Naar de wedstrijd?!’ vroeg ie enigszins ontzet.
Ontzet was ik zelf ook, al een week misschien wel. Goede vriend V van de dochter had gevraagd of ik met ’m mee wilde naar de wedstrijd. Op de seizoenkaart van z’n moeder die met vakantie was. Het leek me een angstaanjagend topidee. Twee fanatieke supporters, samen bij een topper, die in alles hetzelfde zijn: het belang van, de liefde voor, de emotionele band met de club.
Man E maakte zich wat zorgen, maar ik bezwoer ’m dat ik me koest zou houden en geen witroodwitte kleding aan zou doen. Alleen de Ajax sleutelhanger nam ik mee, waarin ik overigens gedurende de wedstrijd twee keer keihard kneep. Ik hulde me als een undercover in het donker- en lichtblauw, even vergetende dat onze spelers natuurlijk hun uitshirt aan zouden hebben.
Al bij Utrecht stapten er vijf PSV-supporters de trein in. Omdat de tweede klas vol zat, gingen ze in de eerste zitten. Ik voelde me gelijk geïntimideerd. In Den Bosch kwamen er nog meer Brainport aanhangers bij. Dat Brainport zocht ik ff op. Het is een innovatieve high tech regio in het zuiden die toonaangevend is in bijvoorbeeld energietransitie, slimme mobiliteit en gezondheid. Waarom die fans zich dan zelf boeren noemen is me een raadsel.
Het station en de weg naar het stadion waren vergeven van de rood-wit gestreepte mensen. Zoveel verkeerde supporters had ik echt nog nooit gezien. Er stond hier en daar wat politie, er was security, de 1600 Ajaxsupporters zaten allang in hun vak, maar toch zou ik blij zijn als ik in het gezelschap van V zou zijn. De enige van al die duizenden PSV’ers in het stadion die ik trok. Nou vooruit, z’n zus was natuurlijk ook oké en dat gold voor meer mensen die om ons heen zaten. Zelfs toen ze erachter kwamen dat ik niet z’n schoonmoeder, maar wel een Ajacied was, kreeg ik nog wat te drinken! Eentje wilde van alles weten over de wedstrijd tegen Inter, de grootte van de JCA en wat de kaarten bij ons kosten (echt veel en veel meer). Hij viel me om de hals bij de 2-1, dat was wel wat minder.
Maar overall, de sfeer was gemoedelijk. De steward die van V had gehoord dat ik daar niet thuishoorde lachte vrolijk naar me toen ik twee keer diep weggedoken in m’n jas zat. Wel was het jammer dat de supporters alles fout deden. Ze schreeuwden als je stil moest zijn, sprongen op als je rustig moest blijven zitten, floten als er niks te fluiten viel en scholden als je juist blij moest zijn. Alhoewel fout… Het was maar hoe je ernaar keek. Zij en ik, we leken ook op elkaar. Als zij juichten voor een enorme kans, juichte ik voor een knappe redding. Stonden zij strak van de spanning in de aanloop naar de penalty van Taylor, stond ik net zo strak. En hun chagrijn na het fluitsignaal zat even diep als mijn vreugde. Het was clubliefde, jammer genoeg hadden ze alle 32.800 de verkeerde club gekozen. Beetje flauw dit, maar ik heb het aantal wel geverifieerd.
De stadionspeaker bedankte de supporters voor hun aanwezigheid met een zachte g.
En in de PSV-zee terug naar het station, dacht ik met een grijns op m’n gezicht bij iedereen die voor, achter en naast me liep: ‘En jij hebt twee punten verloren, en jij hebt twee punten verloren, en jij, en jij, en jij…’ Weer flauw, maar je kunt nou eenmaal niet altijd serieus zijn.
Nog ruim 7 maanden, dan is het Ajax-PSV en neem ik V hopelijk mee. Kan hij weer overal verkeerd op reageren. Of zou dat dan juist goed zijn?

Popelen

Afgelopen weekend sprak ik op een feestje een ontwikkelingspsycholoog die geïnteresseerd was in nietoverpraten. Ik hoorde mezelf vertellen dat het volgende stukje over popelen zou gaan. Iemand had dat woord genoemd en het was blijven hangen. Dat moet je dus nooit doen, zeggen waar een volgend stukje over gaat. Dan zit je ermee en heb je geen idee.
Stond de dochter, net als de zoon nu ook een twintiger, te popelen om weer in Utrecht te gaan wonen? Stond ik te popelen dat ze nu echt – want geen onderhuur maar een eigen vaste kamer – het huis uit ging?
De eerste vraag kon ik niet eenduidig beantwoorden, ik denk dat het antwoord ja en nee was. De tweede was zeker een nee. Het was fijn geweest de afgelopen twee maanden dat ze weer in het nest woonde.
Als ik even ergens over mag schrijven – en ja dat mag – ik had ook een keer geroepen dat er een stukje over vangnest zou gaan. Het vangnest zou de opvolger zijn van het nest dat de kinderen hadden verlaten. Dat nest hadden ze niet meer nodig, maar man E en ik hadden nog wel een vangnet in de aanbieding. Was misschien best een mooi stukje geworden, maar helaas.
Terug naar toen de dochter nog in het nest woonde. Met heel veel koffie, schoteltjes met lekkers en verhalen, gedoe, geklets over the Dallas Cowboys Cheerleaders, de Stuurboord Bokaal, Down the Rabbit Hole, crispy chili olie, het Louis Hartlooper Complex (ik dacht nog even dat dat een zeldzame psychische afwijking was) en nog veel meer woorden waar ik zonder haar nooit van gehoord zou hebben.
Tuurlijk, man E en de zoon brachten ook de nodige reuring met zich mee. Maar met haar was het anders. Anders hoe? Ik wist het niet. Ik wist het wel. Het had alles te maken met mijn verlangen om ook moeder van een dochter te worden.
En nu was ze weg, haar eigen wereld weer in en keek ik naar het koffiekopje van DeLaMar dat ze me had gegeven toen ze daar nog werkte omdat ze wist wat een sucker ik voor de zogeheten betere kringen ben. Het kopje staat op het bureau van voorheen opa B en papa. Man E heeft het gedemonteerd, geschuurd, geolied, gelakt, ge-elektraad, geplakt, geschroefd en gerepareerd en nu schrijf ik er m’n eerste stukje aan. Het volgende gaat denk ik over ontmantelen: of je als mantelzorger ook kunt stoppen met zorgen voor en over. Ik kan niet wachten.

Aan- en afloop

Zeven weken was ik in training geweest om de 7,5 km lange Run op de Ring van Amsterdam te kunnen volbrengen binnen het uur. Dat was de limiet, had de wedstrijdorganisatie besloten. Zes intervaltrainingen, zeven duurlopen, twee lange wandelingen en twaalf keer fitnessen hadden mij ver gebracht. Er was dik drie kilo van me af en de generale-repetitie-loop ging superslecht, want te warm. Oftewel ik was er klaar voor. Maar spelde voor de zekerheid nog een keer alle e-mails die de organisatie me had gestuurd. Je moest om 8 uur bij de RAI in de pendelbus stappen (moest ik eerst 2,5 km fietsen) die je naar de start in de Watergraafsmeer zou brengen. Dan over de A10 met een lus via de A2 in 7,5 km teruglopen naar de RAI (en dan weer naar huis fietsen). Er zouden veel waterpunten zijn, ook veel muziek en een medaille. M’n Ajax shirt dat witroodwit met m’n startnummer erop gespeld lag te wachten, verheugde zich enorm.
Een dag van tevoren besloot burgemeester F in al haar wijsheid de run te halveren. Met asfalt van 40 graden, nergens schaduw en geluidswallen die alle warmte ook nog eens binnenhielden was dat wellicht een goed idee. Er kwamen nog meer waterpunten en de tijdslimiet gold nog steeds, maar dan voor de helft van de afstand. Ik kon wandelen! En foto’s maken! Misschien wel genieten! Alhoewel mijn Groningse ik ook dacht, kist wel gek wezen, lopen op de snelweg, wat ja hait ja.
Tot zover de aanloop.
Nadat diezelfde F op de startknop had gedrukt, startte ik veel te snel, finishte live op AT5 en na afloop bekeek ik nahijgend op de vangrail samen met vriendin I de foto’s van onszelf bij de hectometerpaaltjes, het maximumsnelheid bord van 100, de afslagen OLVG Oost (speciaal voor moeder A), Overamstel en Rivierenbuurt en de 750 jaar Amsterdam-medaille. Tevergeefs zocht ik naar de extra waterpunten en op de fiets terug naar huis dacht ik aan die ene dj die door z’n microfoon ‘Volgend jaar pakken we de schaal’ had geroepen, hoe bizar het was dat de pendelbussen spookreden en hoe lang in- en uitvoegstroken eigenlijk waren. Thuis kleedde ik me snel om en toog met man E weer naar het asfalt waarop wij nog zo’n 15 kilometer liepen. We zagen 750 bomen en nog meer dixies, Amsterdamse raketjes, schaakborden, mensen op skeelers, bruiden, blazers, festivalgangers die bokje sprongen en tegen de vangrail aan plasten, bingokaarten, een zwaar katholieke F-Sider, een beachvolleybal veld, een kruk met Peter Beense erop en duizenden plakkerige en vrolijke mensen.

Vijfenvijftig

{Brieven aan mijn broer}

Hé broer,

‘Gefeliciflapsteert’, zou je zwager E zeggen. En ik sluit me daar van harte bij aan. Vijfenvijftig jaar, dat is toch niet te geloven. Jammer genoeg kunnen we het niet uitbundig vieren. Maar ik drink er wel een glas cola op. Proost.
Ik heb je nog niet verteld dat mama in het ziekenhuis ligt. Ze heeft last van haar hart en kan niet goed ademhalen. Het gaat in het ziekenhuis met slangetjes in haar neus wel een stuk beter gelukkig, maar ze weten nog niet precies hoe het komt. Op haar kamer liggen nog drie andere vrouwen en een ervan zit ons aldoor af te luisteren als ik op bezoek ben. Dus nu praten mama en ik Gronings met elkaar, zodat die vrouw dat niet verstaat. Lekker puh. Het lukt best goed met dat Gronings van mij, soms weet ik niet of het nu buuk of buik of boek is, maar dan zegt mama pokkel en pins en lachen we ons weer slap.
Af en toe kruip ik bij haar in bed en dan kijken we samen televisie of doen we een spelletje, dat is best gezellig. We weten niet hoelang ze daar nog moet blijven, maar we kunnen sowieso niet naar Frankrijk. R zou ook mee. Dus daar heb ik de smoor over in. Maar ik denk dat jou dat verder weinig kan schelen.
Mama heeft een nieuwe badjas, die ga ik vandaag ophalen. Blauwelucht-kleur met rozevarken-kleur takjes en bloemetjes erop. En ik geef haar aardbeien en chocola, maar dat laatste wil ze niet, omdat alle lekkeren er al uitgegeten zijn. Dat had ze trouwens zelf gedaan. Ze vermaakt zich wel goed in het ziekenhuis, met tennis kijken en puzzels maken. En het is ook wel beter dat ze geen port kan drinken of sigaren roken, maar ik hoop eigenlijk stiekem wel dat als ze weer thuis is, ze dat toch gewoon weer gaat doen. Dat snap je zeker wel?
Dus tja, die verjaardag van jou die valt wat in het water vandaag. Misschien moet je het maar samen met papa vieren in Bellingwolde. Met jullie prachtige uitzicht daar over het gruinlaand.

Dikke kus van je zus

Op de dag dat

{Brieven aan mijn vader}

Lieve pap,

Half mei was het vijf jaar geleden dat. Maar ik had tijd noch aandacht voor je, het was precies de week dat Ajax misschien nog. Mijn emoties waren bij Lang, Blokzijl en die godvergeten groen-witte keeper. Zeldzaam ziek was ik ervan. Bleef mezelf maar afvragen waarom ik het niet een beetje kon relativeren. Waarom ik me niet druk maakte om de écht belangrijke dingen in het leven. De clubliefde nam, vond ik, te veel plaats in. Ik denk dat je erom had gelachen en je had afgevraagd ‘Woar ze nou wel mit bezig is’.
Natuurlijk was ik wel bij R, op de dag dat. We regelden met de beheerder van de begraafplaats dat de aarde bij jou en broer B zou worden opgehoogd, kochten een blauwpaarse petunia voor je en barbecueden à la papa (hamburger, huzarensalade, stokbrood) in R’s achtertuin. Het was allemaal fijn en goed.
Een dag later rende ik met hond M langs het B.L. Tijdenskanaal, tot de Rhederbrug en weer terug, hemelsbreed lag er maar twee kilometer tussen de plek waar ik nu intervalde, waar ik was geboren, opgegroeid en waar jij met oom M de boerderij runde. Zo dichtbij, maar ook zo ver.
Het is net als met die vijf jaar. Je kunt er niks mee, met tijd. Niet achteraf, niet in de toekomst en in het nu al helemaal niet.
Toen ik na m’n training – ja training, want ik ga weer eens meedoen met een wedstrijd, 7,5 km op de Ring van Amsterdam – terugreed over de Kerkweg, stopte ik bij jullie plek. Ze waren flink aan het snoeien geweest, er was veel meer zicht vanaf de weg. Mooi. En andersom konden jullie nu ook beter naar het land aan de andere kant van de weg kijken. Er werd beregend, er reed een trekker en een of ander gewas kwam net boven het maaiveld uit. Rogge? Tarwe? Haver? Jij zou het vast herkennen. Mijn emoties waren daar waar ik vond dat ze moesten zijn. Even.
Toen vertrok de trainer, vond ik een bierdop in de auto, moest ik te vaak naar de apotheek, was de sla op, het gras te hoog, m’n paspoort niet meer geldig en natuurlijk het aanrecht vol en de afwasmachine leeg. M’n leven ging blijkbaar gewoon weer door. Ik denk dat je dat wel had begrepen, behalve die clubliefde dan.