Lauwersoog

Iedere eerste vrijdag van de maand rijden opa en oma vanuit Bellingwolde naar Lauwersoog om vis te kopen. Dat kun je ook in Winschoten doen, bij de viskraam van Lich, ‘Haring in het land, dokter aan de kant’, maar oma wil alleen schol en kibbeling waarvan ze zeker weet dat het dicht bie hoes is gevangen. Dichtbij huis is dichtbij Zoutkamp. Daar is ze geboren. Aan de Grachtstraat, dat vertelt ze altijd als we langs haar geboortedorp rijden. En ook dat ze twee broers had die garnalenvisser waren, maar ooit in een storm verdronken zijn.
Als mijn broer thuis is uit het tehuis en ik ook vrij ben van school, mogen we mee. Samen zitten we achterin de auto van opa en oma. Hij wil voorin, maar daar wil oma niets van weten.
‘Geen gezeur Bart, jij bent een kind en kinderen horen achterin,’ zegt ze tegen hem voordat ze instapt.
Opa zit al achter het stuur. Oma zet haar handtas op schoot, haalt een rol King tevoorschijn en peutert er twee pepermuntjes uit, die ze aan mij geeft. Bart heeft zijn mond al open en ik leg een pepermunt precies in het midden op zijn tong. Hij begint verwoed te kauwen en vermaalt het snoepje zo snel hij kan tot kleine stukjes. Ik draai me van hem af en kijk door het rechterraam naar buiten. Gestaag glijdt de ruilverkaveling van het Oldambt voorbij. Langzaam smelt de pepermunt in mijn mond.
Na een uur, we zijn Zoutkamp net voorbij en oma heeft verteld van de Grachtstraat en de garnalenvissers, draait ze het autoraampje naar beneden en zuigt gretig de lucht haar neus in.
‘We zijn bijna in Lauwersoog,’ zegt ze. ‘Ik ruik de zee al.’
Opa heeft de auto nog nauwelijks voor de visafslag geparkeerd of ze springt de auto al uit. Rechts naast de ingang staat een plastic hoorn met softijs die nog groter is dan opa. Iemand heeft er met een viltstift ‘Joost was here’ opgekrast. Zo’n groot ijsje, dat is reclame vindt mama, dat doen ze expres zodat je zin krijgt in ijs. Daar moet je niet intrappen.
‘IJs, ijs,’ roept Bart.
‘Jij krijgt straks een dikke ijsco, Bart,’ zegt opa en helpt hem de auto uit. ‘Eerst vis halen.’
Oma staat al in de rij voor de toonbank met een nummertje in haar hand.
’t Is drok. Er zijn nog vijf mensen voor ons.’ Ze probeert in de vitrine kijken, maar er staan te veel mensen voor haar.
‘Jij een portie kibbeling, Maaike?’ vraagt oma.
Ik knik. ‘Mag ik ook van die witte saus?’
‘En Bart zeker patat met een frikandel speciaal?’
Frieten en frikandellen bestellen bij een vishandel, dat mag gewoon van mijn oma.
Bart legt zijn hoofd in zijn nek en buigt hem met een grote klap naar voren. Hij maakt er een grommend geluid bij. De mensen die voor oma staan, kijken verschrikt achterom.
‘Ga jij daar alvast met Bart zitten?’ wijst opa naar een plastic tafeltje vlak bij de deur. Bart beweegt zijn hoofd nog steeds schokkerig voor- en achterover. Ik pak zijn hand vast en loop zo snel hij kan naar het tafeltje. Hij zit nog niet of hij smeert met zijn wijsvinger een klodder mayonaise uit een leeg frietbakje dat niet is weggegooid. Nog net op tijd kan ik met een vergeten servet zijn vinger schoonvegen. Gelukkig houdt hij zijn hoofd stil.
Oma staat inmiddels vooraan zie ik en wijst driftig naar de vitrine. Ze vindt bijna alles goed, mijn oma, maar als het over vis gaat, is ze heel precies. Ik stapel de lege friet- en visbakjes op en loop ermee naar de prullenmand. Als ik weer terugkom, is Bart aan een andere tafel gaan zitten.
‘Ook petat, ook petat,’ zegt hij en wijst naar de frieten van een van de kinderen die verschrikt naar hun moeder kijken.
‘Oh, hij hoort bij jou,’ zegt ze opgelucht, als ik naar Bart gebaar dat hij mee moet komen. Hij blijft zitten, ik blijf  ‘Kom nou’ zeggen. Tot opa eraan komt met een vol dienblad. Dan schuift Bart zijn stoel met een ruk achteruit en gaat weer aan onze tafel zitten.
‘Oma komt zo, ze is nog aan het afrekenen, maar wij gaan vast beginnen, of niet dan Bart,’ zegt opa en zet een bakje friet en een frikandel speciaal voor Bart neer. Hij neemt meteen een grote hap. Ik haal mes en vork uit het witte servetje en snijd een stukje kibbeling af. Voorzichtig doop ik de vis in de saus. Precies genoeg. Opa veegt lachend de ketchup van Barts wangen.
‘Een beetje rustig aan Bart.’
Dat hij zo schrokt, daar kan hij niks aan doen, heeft mama mij een keer verteld. Dat komt omdat zijn hersenen het niet goed doen. Daarom knikt en schudt hij zo hard met zijn hoofd. Daarom loopt hij als een eend die haast heeft. Daarom praat hij in korte woordzinnen. Daarom dit en daarom dat. Altijd alles komt omdat hij er niks aan kan doen.
‘Wat eet jij keurig met mes en vork, Maaike,’ zegt oma. Ze zet een zware plastic tas naast haar stoel. Straks als we weer thuis zijn komt de hele familie bij haar vis eten, oom Hein en tante Lisa, papa en mama en ik. Voor Bart smeert ze dan altijd twee boterhammen met jam. En een dikke laag roomboter.
Opa schuift het bakje kibbeling dat hij voor de helft heeft opgegeten naar oma toe. Ze neemt een grote hap. Bart smeert weer met zijn wijsvinger door de mayonaise, maar opa en oma laten hem geworden.
‘Als Maaike haar vis op heeft, krijgen jullie nog een ijsje,’ zegt oma. Ik stop gauw de laatste stukjes in mijn mond. Bart waggelt al naar de softijsmachine. Oma bestelt één kinderijsje en drie oubliehoortjes. Met een grote grijns pakt Bart het kinderijsje uit oma’s hand. Hij knijpt net niet te hard in het koekje en houdt het ijsje ook nog recht. Verlekkerd kijk ik naar mijn grotemensen-ijsje. Oma wijst naar de toren van kinderhoorntjes naast de softijsmachine.
‘Daar weet hij toch niks van,’ knipoogt ze.

De koe der koeien

Tijdens het ontbijt praat ik met puberdochter over mijn broer. Dat hij goddomme alweer 18 jaar dood is. Vijf laar langer dan dat zij leeft. Een realiteit die wij allebei niet snappen. Ik vraag of ze koffie wil en terwijl ik de melk opschuim probeer ik me te herinneren of mijn broer ook koffie lustte. Ik weet het niet meer. Bel mijn vader, app mijn moeder, eet een zak Engels drop leeg – behalve de roze en blauw gespikkelde en de zwarte staafjes – en stap in de trein richting Den Haag. Nog een beetje misselijk loop ik het Mauritshuis binnen. Ik wil ‘Het melkmeisje’ zien, dat daar helemaal niet blijkt te hangen. Wel staan er heel veel mensen voor ‘Meisje met de parel’. Ze luisteren naar een gids die vertelt dat het meisje elke dag een andere uitdrukking op haar gezicht heeft. Alsof zij zijn stemming van die dag aanvoelt. Ik kijk nog eens goed, maar kan slechts een halve mond en een oog ontwaren.

‘Het puttertje’, het andere schilderij waarvoor ik kom, hangt er wel. Een onooglijk, donker portretje van een vogel die niet mag vliegen. Teleurgesteld loop ik verder langs bloemstukken, landschappen en zelfportretten van Rembrandt, tot ik met een schok tot stilstand kom voor een muurvullend schilderij waarop een koe staat afgebeeld. ‘De stier’ is de titel en die staat dan ook prominent afgebeeld, maar het is de koe in de bijrol die ik zie. Een koe! Op de sterfdag van mijn broer. Het is niet zomaar een koe, het is de koe der koeien. Tevreden herkauwend ligt ze in het schilderij. Ik hoor het pompende geluid van de melkstellen, die zich vastzuigen aan de uiers, ruik de ammoniakgeur die opstijgt uit de mestkelders. Helemaal rechtsachter in de stal staat mijn broer. In een oude winterjas, een vale spijkerbroek, op groene stevels, met een grijnslach om zijn mond. Hij buigt voorover en brengt zijn hoofd dicht naar een koe die haar kop door het voerhek heeft gestoken. Ik kan net niet horen wat hij fluistert. Dan trekt hij wat sprieten uit de kuilgrasbult, maakt er een toeve van en steekt het in de bek van de koe. Nog een toeve voert hij en nog één en nog één. Hij stopt pas als ik wegkijk van het schilderij.

 

Amandelring

Ze had die avond langer voor de spiegel gestaan dan anders. Het haar met groene zeep omhoog. Een blauw oogpotlood, wat eyeliner, of zou hij daar niet van houden? En welk t-shirt zou ze aan doen? Van Doe Maar? Of toch gewoon een zwarte? Als hij dat maar niet te alternatief vond. Ze was al een tijdje heimelijk verliefd op hem, nou ja, haar vriendinnen wisten het natuurlijk wel. En het was uit tussen hem en Susan. Ze wist heus wel dat zij zijn grote liefde was, maar toch. Toen ze rond half elf de trap van het café op liep om op de eerste verdieping naar de dansvloer te gaan, was hij er al. Haar vriendinnen stootten haar aan, kijk daar. Ze kreeg een hoofd als een boei. Vlakbij de bar stond hij, met z’n prachtige rode haar en een kwajongensblik in zijn ogen. Omdat ze niet wist waar ze haar armen en benen moest laten, begon ze zich uit te sloven op de dansvloer. ‘Come back and stay’ van Paul Young, ‘Big in Japan’ van Alphaville. Bij elk nummer iets dichter bij hem in de buurt. Keek hij nu naar haar? Lachte hij? Of leek het maar zo? Toen de laatste tonen van ‘Do you wanna hold me’ van Bow Wow Wow klonken, trok hij voorzichtig aan haar arm. Of ze ook een pilsje wilde? Z’n stem kwam net boven de keiharde muziek uit. Ze had nog nooit bier gedronken, maar antwoordde zo stoer en nonchalant mogelijk: ‘Ja, lekker.’ Hij liep naar de bar en zij keek hem na. Aan de andere kant van de dansvloer stonden haar vriendinnen te seinen en te joelen. Ze voelde zich opgelaten. Zou het nu dan eindelijk gebeuren? Die eerste zoen waar ze zo naar verlangde en waar ze zo tegenop zag. Monique, haar vriendin met de meeste ervaring, had haar er van alles over verteld: hoe je je tong moest bewegen, dat je je hoofd wat schuin moest houden en dat je ook kon oefenen op je eigen arm, maar dat had ze niet gedaan.
Hij kwam terug met twee pilsjes in één hand. Misschien had ze liever boven met hem willen zitten, waar de muziek wat zachter was, maar zo was het ook goed. Hij leunde een beetje tegen haar aan, gaf haar het glas en proostte. Ze nam een slok en bleef lachen, ondanks de bittere smaak in haar mond. Hij keek opzij, met ogen vol bravoure, tenminste dat hoopte ze. Zo bleven ze een tijdje staan. Aan de zijkant van de drukke dansvloer. In een paar teugen had hij z’n glas leeg, toen keek hij haar echt heel lang en veelbelovend aan. Ze wilde haar glas wegzetten, maar durfde niet te bewegen. Alles gewoon over je heen laten komen, was het laatste wat ze dacht. Hij legde zijn linkerarm over haar schouder en trok haar zachtjes naar zich toe. Met zijn rechterhand raakte hij heel even haar wang aan. De vriendinnen waren weg, de dansvloer leek leeg en het geluid van de muziek was verdwenen. Zijn hoofd met het prachtige rode haar kwam dichterbij. Zijn lippen op die van haar. Eerst proefde ze alleen maar bier, maar al gauw was ze dat vergeten. En was er alleen het spel dat de tongen speelden. Toen ze elkaar eindelijk loslieten, had ze haar glas bier nog steeds vast. Ze nam een stevige slok. Het smaakte naar meer.
Net geen drie weken zou haar eerste echte verkering duren. Toen ze op een donderdagochtend naar school fietste, vond ze in het gras naast de weg een portemonnee. Met 20 gulden. Ze haalde het geld eruit, ook al knaagde haar geweten. Op het schoolplein nodigde ze haar vrienden allemaal uit om in de grote pauze mee te gaan naar het café. Zij trakteerde. Susan, Monique en Jasper bestelden koffie en cola, maar hij hoefde niks en zij kreeg buikpijn. Toen ze haar koffie op had, vroeg hij of ze even mee naar buiten ging. De knoop in haar maag werd nog groter. Ze liepen een stukje over het plein en stopten bij de kerk. Daar kwam het hoge woord eruit. Hij wilde niet meer. Natuurlijk wist ze het, ze had het al die tijd geweten. Het was Susan, het zou altijd Susan zijn. Ze begreep het, maar pijn deed het wel. Na de pauze ging ze nog naar Engels, maar toen ze het laatste uur wiskunde had, kon ze zich niet langer goed houden en meldde zich af bij de conciërge. Het was ver, de twaalf kilometer alleen op de fiets naar huis. Er leek geen einde te komen aan de rechte wegen. De brug over het kanaal was veel steiler dan anders. Ook nog tegenwind. Of verbeeldde ze zich dat?
Haar ouders zaten in de keuken koffie te drinken. Waarom ze nu al thuis was? Hortend en stotend kwam het verdriet eruit. Hij wilde niet meer. Om toch of omdat. Ze wist het niet. Het maakte ook niet uit. Er zat nog één amandelring in de trommel. ‘Die is voor jou,’ zei haar moeder.

Barbie

Maaike was negen jaar, tien misschien. Haar Barbie was haar heldin. Met lang blond haar, korte roze jurkjes en hoge hakken. Oeverloos kleedde ze Barbie uit en weer aan en kamde haar haren met een speciale Barbie-borstel. Haar eigen haren kammen, dat vond ze nog moeilijk. De achterkant, daar kon ze niet goed bij. De moeder had er geen zin meer in. Altijd maar die knopen en die klitten. De moeder trok haar jas aan, wees naar de houtje touwtje jas en zei dat het best wel mee zou vallen. Maaike stopte Barbie in haar zak. Ze liepen een paar honderd meter naar links, over het voetpad aan de overkant van de weg, naar de plaatselijke kapper. De kapper had een bijzondere naam die ze niet kon onthouden. Hij vroeg hoe ze haar haar wilde. Ze liet hem haar Barbie zien. ‘Knip er maar een flink stuk af,’ zei de moeder. Maaike kreeg een kapmantel om, stopte Barbie eronder en aaide bij elke knip van de schaar Barbies lange haren. Toen de kapper klaar was, weigerde ze in de spiegel te kijken. Dat was ook fraai zei de moeder, het zat echt mooi, ze kon toch wel even kijken? Maaike wreef over haar blote nek, begon te huilen en hield er niet mee op. Dan moest ze maar doorlopen naar de oma, zei de moeder. De oma hoorde haar kleindochter al van verre aankomen. Ze wachtte haar op en nam haar mee naar de grote ovalen spiegel in de gang. Heel dicht ging ze achter Maaike staan en zei: ‘Doe je ogen maar dicht.’ Dat deed ze en haar oma hield ook nog haar handen voor de dichte ogen. Toen mocht ze kiezen, eerst de handen weg en dan de ogen open of andersom. Ze koos andersom en deed een voor een haar ogen open. De handen van oma bewogen in slow motion opzij. Er stond een jongen voor de spiegel.

De moeder de vrouw

Alle belangrijke vrouwen in mijn leven zijn in juni jarig. Gisteren puberdochter, vandaag mijn moeder en een dikke week geleden oma Barbertje. Een oma, een moeder, een vrouw die alleen maar luisterde. Mij altijd opving en nog vaker begreep. En al haar meningen voor zich hield. Ze zei ‘Hai hai kind toch’, als ik het moeilijk had en ‘Even deurzetten’ als het echt niet anders kon.
Mijn moeder met wie ik het hardst in mijn broek kan plassen van het lachen is het tegenovergestelde verhaal. Zij is het levend bewijs dat het ook anders kan. Maar of het werkt?
Van puberdochter valt het meest te leren. Op haar verjaardag ging ze bij haar beste vriendin die in het ziekenhuis ligt op bezoek om het te vieren. Ze kwam lachend thuis en keek mij niet begrijpend aan toen ik bezorgd vroeg hoe het was geweest. ‘Dûh, superleuk natuurlijk’, zei ze en dook achter de iPad. Of ze nu samen thuis in een puberkamer hangen of op een ziekenhuisbed chillen, het maakt haar niet uit. Ik weet niet of ze het ooit wil of kan worden, maar wat een moeder zal zij zijn.
In boekenland maken schrijvers zich boos over het thema van de Boekenweek van volgend jaar: De moeder de vrouw. ‘Waarom wordt de vrouw geïdentificeerd met de moeder en niet met bijvoorbeeld de huisarts of de postbode?’ vragen bijna 300 schrijvers zich af.
Ik vraag mij af waarom niet.