Tobberij

Kwalen, aandoeningen, ziektes en gebreken. Het werd te mantelzorgerig in m’n omgeving. Elke ochtend, direct na het wakker worden, vroeg man E me z’n sokken aan te doen. Iets met wervels, spieren, pezen en pijnscheuten in z’n onderrug. De rest van de dag bewoog ie stinnend en poestend door het huis. En jengelde maar door over welke spier nu weer niet goed zat, welke oefening daar precies tegen hielp en of ik z’n veters nog ff wilde strikken. In huize HV was maar één onderwerp van gesprek mogelijk. Oh nee, twee. Mijn geklaag over moeder A was er ook nog. Ze belde te vaak, hoezo had ze geen energie en geen melk in huis voor in m’n koffie? Waarom zegde ze van alles af, waaronder een avondje Remko Vrijdag. Aan de andere kant, dat was misschien maar beter. ‘Vrijdag Doemsdag’ bleek een vreemde show over de laatste mens op aarde na weer een pandemie. De typetjes waren onderhoudend, het leuk-doen-tussen-de-schuifdeuren gehalte te hoog. Pluspuntje: ik had twee stoelen en zat vlak voor Frits Sissing en Cor Bakker.
Lopend met hond M langs de Weespertrekvaart, bedacht ik dat het natuurlijk niet aan man E en moeder A lag. Maar aan mij. Dat doet het altijd. Ik zat niet goed in m’n vel en dus zette ik me af tegen de mensen waar ik het meest van houd. Waarom? Ja, wist ik het maar.
Wat zou mijn vader tegen me zeggen, als ik ’m m’n tobberij vertelde? Niks waarschijnlijk. ‘Niet goed in je vel zitten’ daar kon ie weinig mee. Hij zou me gewoon een glas wijn inschenken en trots aan z’n man vertellen dat de kleinzoon z’n rijbewijs had gehaald. In ain moal.
En dus volgde ik z’n advies op en ging gewoon verder. Ik las deel II van ‘Over de berekening van de ruimte’ van Solvej Balle uit (over een vrouw die gevangen zit in de tijd), bestelde direct deel III en IV, kocht een schreeuwend dure zomerjas en stortte me op de 125e verjaardag van m’n club. Zou ik dinsdag naar de Dam gaan om het te vieren (laten we er een onvergetelijk en waardig feest van maken) en of naar de Entrada voor de wedstrijd tegen AZ om het jubileumjaar in te luiden (hard knalvuurwerk kun je thuislaten)? De post bracht een fraai verjaardagscadeau (iets dat jou aantrekt als een magneet en iets dat je bij je draagt) en ik keek naar de persco voorafgaand aan de wedstrijd tegen Eintracht Frankfurt waarin Klaassen vertelde dat z’n dochter zondag voor de aftrap tegen PEC Zwolle was geboren. Hij had nog een stuk van de wedstrijd kunnen zien. Ik zat gelijk wat beter in m’n vel.

Schattig

In Nederland gebruiken 400.000 mensen compressiehulpmiddelen oftewel steunkousen. Dat is, mits ik het goed heb uitgerekend, 1 op de 500. Logisch dat je die mensen nooit tegenkomt. Tot afgelopen zaterdag, toen hadden ze zich en masse verzameld in Ede-Wageningen. Hoera, het was lymfoedeemdag. En dat werd gevierd met echt superlekkere notenkoeken en ook nog een congres. Een dikke driehonderd mensen waren erop afgekomen. Patiënten kon je herkennen aan een roze bandje en natuurlijk aan gezwollen armen of benen (en naar ik later leerde, opgezette vagina’s of scrotums, maar dat kon je natuurlijk niet zien), professionals hadden een geel bandje om en er waren ook mensen met een blauw bandje rond hun pols. Vrijwilligers, bleek bij navraag.
Nog nooit had ik in één ruimte zoveel vrouwen met armkousen gezien. Sommige droegen links én rechts een kous of handschoenen die de vingers helemaal bedekten, ik kwam handschoenen tegen die op de muis van de hand en aan de onderkant verdikt waren met speciaal druk materiaal… Alleen al het zien dat het nog veel erger kon, was het de-hele-dag-binnen-zitten-terwijl-het-buiten-voorjaarsweer-was waard.
Inhoudelijk was het ook de moeite waard. Verpleegkundigen vertelden uitgebreid over het belang van zelfmanagement en leefstijl. Dermatologen en plastisch chirurgen praatten over de impact van wondroos en het effect van lymfevaten-transplantaties. Over dat laatste waren ze het overigens niet eens. Maar toch leerde ik een hoop en prees ik mezelf steeds gelukkiger. Zeker toen er een foto langskwam van een vrouw die zo’n dik been had, dat ze niet eens een kous aankon.
In de pauze liep ik langs de standjes met compressiemateriaal. Ik kwam zorgverlener A tegen die jarenlang zo fijn naar me had geluisterd terwijl ze ondertussen mijn arm masseerde. En zag een pop met een armsteunkousje, beensteunkousje en ook nog een steunrompertje aan. Superschattig vond ik het, tot de standhouder vertelde dat ook baby’s wondroos en oedeem kunnen krijgen. Aan de andere kant, misschien moest ik mijn eigen oedeemarmpje en -handje wel als schattig gaan zien.
In de trein terug naar huis bleek dat twee dingen waren blijven hangen. Eén, je moest de aandoening lymfoedeem los zien van de ziekte kanker. Mentaal dan.
Twee, ik hoorde een mooie oneliner: lymfoedeem, het verborgen neveneffect van kanker waar niemand over praat. Op het lijf van m’n blog geschreven.

Tegenwoordig

Facebook had uitgeknobbeld dat ik deze week, vijftien jaar geleden, geopereerd was in het Antoni van Leeuwenhoek. Moest dat gevierd? Bleek hieruit dat ik al zolang mijn tijd verdeed op social media? Watwatwat moest ik met deze reminder?
Op de foto waarmee het platform mij terugbracht naar 2010 zat ik op de grond in de slaapkamer van de kinderen. De zoon (7 jaar) op schoot, z’n beentjes aan weerszijden van mijn heupen, z’n hoofd wat afgedraaid naar links, z’n blik wat afwezig. De dochter (van 4) met haar buikje tegen haar broertje aan, haar armpjes om ons beide heen en haar lippen op mijn wang. Zelf had ik een kaal hoofd en terneergeslagen ogen. Besefte ik toen al dat kinderen hun ouders niet behoren te troosten maar andersom? Eh, nee. Ik was alleen met mezelf bezig. Zie hier de kiem van allerlei ellende.
De bedoeling is dat je als kind bezig bent met jezelf. En als ouder met je kind. Dat heet dan opvoeding denk ik, en als ze het huis uit zijn is dat klaar denk je. Maar dat blijft zo!
Maar soms ook niet. Blijken ze ineens gelijkwaardig te zijn, met rijbewijzen, vergevorderde kookkunsten, piercings, bachelorsminorsmasters en compleet eigen levens op de koop toe.
Tijdens het etentje afgelopen weekend, ter meerdere eer en glorie van ons 12,5-jarige huwelijk, zaten we met z’n vieren bij een sjieke Italiaan in de Jordaan. Iedereen nam het wijnarrangement en man E legde de boel beter uit dan de sommelier. We aten echt lekker, maar wel wat ingewikkeld, de wijn was, ja wat was de wijn, de gesprekken waren waarachtig. De zoon nodigde de dochter uit om een keer mee te gaan naar z’n roeivereniging, de dochter vroeg wanneer hij bij haar in Utrecht kwam, man E dronk de wijn op die de kinderen niet lekker vonden en ik was jaloers op de broer-zus-band.
We fietsten naar het ouderlijk huis en ik keek tegen de leren ruggen van de zoon en de dochter aan. Het leer van de zoon was van z’n vader geweest. Voor de kenners: gekocht bij Zaal, Oude Ebbinge, Groningen. Leuk detail: ze hadden toen een actie als je één leren jas kocht, kon je er nog één voor vijfentwintig gulden of zo bij kopen, dat deed ik en die heeft de dochter nu ’s zomers aan.
Eenmaal thuis werd ik overvrouwd door emoties van waar is de tijd toch gebleven en wat vliegt ie en hij heelt ook nog alle wonden en kwamen beide kinderen bij me zitten. De zoon op m’n schoot, de dochter met haar lippen op m’n wang. Dit laatste is helemaal niet waar, veel te dik aangezet en ook nog geforceerd lollig. Maar dat kan tegenwoordig allemaal prima.

Vergeefs

Afgelopen weekend las ik ergens iets over de vergeefsheid van het leven. Ik wilde het opnieuw lezen, omdat ik vergeten was wat die vergeefsheid precies betekende. Waar stond het ook weer, wie had het gezegd? Maar ik vond het niet. Ik zocht tevergeefs wilde ik al schrijven, maar deed dat toch maar niet. Wel las ik het interview met Sylvia Witteman, een van mijn favoriete columnisten (eerst Volkskrant, nu Parool) terug waarin ze het heeft over het belang van het dagelijks leven, wat er in de ogen van veel mensen niet toe doet. Zij (en ook ik) vindt juist van wel, aangezien de meeste mensen ‘niet zo gek veel spannende dingen doen. Voor hen is het dagelijks leven het enige leven dat ze hebben.’
Zondag bestond mijn dagelijks leven uit het verschijnen van De Meersche Helden met daarin mijn eerste column (zie hieronder) en het bijwonen met de zoon van de Klassieker. Daar was natuurlijk helemaal niks dagelijks aan.
Ik kocht twee exemplaren van het fanblad en zag tot m’n vreugde mijn naam voorop en tot m’n verdriet een tikfout eronder. Even vroeg ik me nog af of heel die column dan niet vergeefs was geweest, maar al gauw was de clubliefde allesverzengend.
De sfeeractie van de F-side, die een megagroot ‘Voor onze club uit Amsterdam’ spandoek uitrolde, de 010-spelers die uitgemaakt werden voor kakkerlakken en nee ik wilde het niet, maar ja ik deed ook mee en weigerde blijkbaar Feyenoord-spelers op te schrijven. Het scanderen van ‘Brobbeyyyy’ door het stadion na de eerste goal, de spanning die bijna uit onze lichamen barstte na de gelijkmaker, het chagrijn van de gemiste penal en het ontploffen van 56.120 man na de bevrijdende 2-1. De vergeefsheid van het leven was voor even ver weg.

Op naar ’t stadion

Mijn liefde voor het stadion is begonnen bij BV Veendam. Sorry daarvoor, maar ik ben geen geboren Amsterdammer. Eind jaren tachtig promoveerde die club twee keer naar de Eredivisie en kwam Ajax op bezoek om als winnaar (twee keer 0-1) weer terug te gaan naar Mokum. Op Sportpark De Langeleegte – de oudere Ajacieden onder ons herinneren zich vast de kou, de wind die daar altijd waaide – stond daar een elftal op het veld met Van Basten, Bergkamp, Rijkaard, Blind en van ’t Schip. Menzo op goal, Cruyff was coach. Ik wist niet wat ik zag, zeker weten dat mijn hart toen witroodwit begon te kleuren.
Nu, een half Amsterdams leven later, ga ik nog steeds naar het stadion, als Ajacied. Op de fiets naar de JCA waar het nooit waait of kil is. Soms samen met m’n Ajax buurvrouw, soms met m’n zoon (die wel de juiste geboorteplaats in z’n paspoort heeft staan). In één lange witroodwitte sliert gaat het richting de Johan Cruyff Boulevard. We zetten de fietsen op slot aan een lantaarnpaal bij de Ziggo Dome en proberen voor te dringen in de rij voor ingang Zuid. Vertrappen blikjes bier tijdens het wachten. Dan is het zover: het draaihek door, de betonnen trappen op, de overkapte roltrappen, naar de tweede ring waar de dameswc’s altijd vrij zijn. En het mooiste moment: omhoog je vak inlopen en bij elke tree meer kippenvel voelen terwijl de hardstyle van Crazy on the Dancefloor je tegemoet knalt. De basiself en wissels komen het veld op voor de warming-up. Gehuld in prachtig geel-blauw trainingstenue. Ondertussen staat een trots Ajaciedje de bal hoog te houden in de strijd om de Richard Witschge Bokaal.
Als de stadionspeaker de elf namen van onze dapp’re strijders heeft omgeroepen, gaan de hoop en verwachting van de duizenden supporters om ons heen recht het hart in. Striemende fluitconcerten, oorverdovend gejuich, gebalde vuisten, tot het rust is.
Singing, ‘Don’t worry about a thing
’cause every little thing gonna be allright’
Nog één helft roepen, vloeken, meezingen met de F-side en alles beter weten dan Farioli tot het eindsignaal klinkt. De spelers lopen hun ronde om de fans te bedanken en terwijl we de tribune aflopen, de betonnen trappen af, horen we Kees Prins steeds zachter zingen:
Dit is mijn club, mijn ideaal,
dit is de mooiste club van allemaal.
Hier ligt mijn hart, mijn vreugde, mijn verdriet,
het kan dooien, het kan vriezen,
we kunnen winnen of verliezen,
maar een beet’re club dan deze is er niet.

De witroodwitte fietssliert zet zich weer in beweging, richting centrum. Er wordt gelachen, gescholden en driftig nagepraat. Ik verheug me nu al: over veertien dagen mogen we weer.

Kidnapper

Nog een paar dagen en dan ben ik tweeëntwintig jaar moeder. Als de zoon of de dochter jarig is, koop ik altijd een te dure bos bloemen voor mezelf en pak het blauwe (de zoon) of het oranje (de dochter) geboortealbum erbij. In no time is het dan januari 2003 of juni 2005 en zit ik op de wc in de Lekstraat weeën op te vangen en man E uit te schelden omdat hij een stinkende boterham met pindakaas eet, (de zoon) of het bed nú nog op klossen moet zetten (de dochter).
Na dit tripje naar vroeger zette ik de kweepeertakken op een vaas en stelde de gang naar Aurora, sinds 1909 dé lampenwinkel van Amsterdam, nog langer uit. Die ellendige Merry Christmas lichtbak fixen, kon altijd nog. Liever keek ik naar aflevering 10 van het laatste seizoen van Parenthood (dank nog vriendin M voor de tip). 103 Afleveringen van 40 minuten lang gaat het over opvoeden. Maar dan op z’n Amerikaans, altijd maar doorzetten, presteren en te veel samendoen.
Wat had ik de zoon en de dochter eigenlijk bijgebracht? Nu ze beide het huis uit waren, was het niet zo gek m’n opvoeding te beoordelen.
Ze hebben geleerd met een brede blik naar de wereld te kijken. Ze hebben op voetbal, tennis, turnen, karate, roeien, hockey, zwem-, piano- programmeer- en debatles gezeten. Ze zijn naar Nemo, Artis, de Krakeling, het Concertgebouw, Tuschinski, Paradiso, Carré en het Rijksmuseum geweest. Ze zijn altijd goed verzorgd met koffie, geknipte nagels, nieuwe kleren en een overvolle snackla. Maar de confrontatie met ze aangaan? Duidelijk grenzen aangeven? Daar ben ik te vaak voor weggelopen. Ik heb te snel geoordeeld, me te weinig ingeleefd, was er soms niet terwijl ze me wel nodig hadden. En nog een dieptepunt, te weinig geluisterd. Terwijl ik me dat tweeëntwintig jaar geleden met m’n dikke buik nog zo had voorgenomen wél te doen. Net als mijn allerliefste oma Bab dat altijd en altijd en altijd maar deed.
Maar mijn grootste tekortkoming kwam van de week aan het licht toen de zoon vertelde dat ie de samenvatting van de koploper van de Duitse Bundesliga tegen 010 had gekeken. Op deze manier ging mijn opvoeding steeds meer lijken op de wanprestatie van Ajax in Riga.
Ik had op een fundamenteler niveau toch wel meer goed gedaan? Het was moeilijk om daar woorden voor te vinden, eerst maar eens met hond M de regen in. Misschien kreeg ik in die troosteloze grijze lucht nog wel een goede inval. Dat was zo: ik ging het ChatGPT vragen. De bot antwoordde van alles waar ik me niet in kon vinden, behalve: ‘Ik vond het belangrijk om zowel structuur als ruimte voor eigenheid te bieden.’ En ook ‘Mijn kinderen hebben geleerd door te kijken naar mijn eigen gedrag en keuzes.’ Daar wil ik nog wel even aan toevoegen dat ze door naar mij te kijken ook geleerd hebben hoe het niet moet. Minstens net zo belangrijk.
Ondertussen had ik genoeg moed verzameld om naar Aurora te gaan. Ik haalde net mijn fiets van het slot toen een meisje van een jaar of 11 de weg vroeg. De straat waar haar vriendin woonde kende ik niet en ze kon het ook niet checken op haar telefoon, want leeg. Wel had ze een oplader bij zich.
‘Nou’, zei ik, ‘kom maar even binnen, dan laad je je telefoon op en met een paar procent batterij kun je me het adres laten zien.’
Ze twijfelde een tijdje en vroeg toen: ‘Bent u een kidnapper?’
Ik dacht dat ik het niet goed had verstaan.
‘Bent u een kidnapper?’ vroeg ze nog een keer.
‘Nee’, zei ik, ‘ik ben een moeder.’