Pilletjes

In mei 2010 begon ik jullie te slikken. Dat was verstandig, zeiden de artsen en ze vertelden me over statistieken, percentages en overlevingskansen. Maar ook over opvliegers, pijn in de botten, depressie en gewichtstoename, allemaal waar overigens.
Jullie zijn met me mee geweest naar de Rocky Mountains, Las Vegas, de Noorse fjorden, Schotland en Schiermonnikoog. Mijn belangrijkste bagage, tien jaar lang.
Het grootste avontuur dat we samen hebben meegemaakt was op een camping in het snoeihete Blythe, California, aan de Colorado River. Het was zondag, aan het eind van de middag en de toiletdeur van onze camper viel dicht en sprong daarbij in het slot, terwijl er niemand binnen was. Dikke paniek, omdat jullie in je stripjes nu achter slot en grendel lagen. Niemand kreeg de deur open, ik niet, man E niet, de campingeigenaar niet… Gelukkig kwam onze Amerikaanse – ‘I’m an airco kinda guy’ – buurman met de tip een slotenmaker te bellen. Na een uurtje kwam de locksmith langs, vrouw achter het stuur van de pick-up, hij ernaast, sixpack op schoot. In één seconde had hij de deur open, met een Ikea inbussleutel. Opgelucht zag ik jullie in het badkamerkastje liggen.
Nu zijn de tien jaar om. De doosjes op, de strips leeg, ongeveer 3650 pillen ingeslikt. Soms met te weinig water en dan proefde ik jullie bittere smaak, soms met te veel wijn en dan wist ik het niet zeker, soms in tranen om wat was of waar ik bang voor blijf. Maar de meeste gewoon gedachteloos. Vanavond nog eentje.

Herfstvakantiemaandag

Op herfstvakantiemaandag tien jaar geleden zat ik in de wachtkamer en probeerde de gezichtsuitdrukking van de arts met wie we een afspraak hadden te peilen. Iedere keer dat ze uit de gang kwam, de wachtkamer instapte en een andere achternaam dan de mijne riep, keek ze heel erg niet mijn kant op. Ik was als laatste aan de beurt. Dat had ze expres gedaan bleek later, dan kon het gesprek mooi uitlopen en hoefden alle vrouwen die wel goed nieuws kregen daar tenminste niet op te wachten. ‘Mevrouw Haan’, zei ze – er zat een miniem kuchje tussen die twee woorden – en ontweek zo professioneel mogelijk mijn blik. Wat verder volgde geen idee, ik had net zo goed niet naar binnen hoeven gaan.
Ik wilde naar huis. Naar de kleuterdochter en de middenbouw-zoon die met een bibber-oma met de knikkerbaan aan het spelen waren. Ik wilde sinaasappels voor ze persen. Alvast de tafel dekken voor het avondeten. En morgen met ze naar de Krakeling.
Op herfstvakantiemaandag ren ik in het Amsterdamse Bos. Na twee kilometer stap ik in een modderpoel en schiet de kramp in mijn rechterkuit. Precies op de plek waar ik dacht dat het net over was. Het begint te miezeren en mijn hardloopjack blijkt niet waterdicht. Mokum springt met haar blubberpoten op de achterbank en ik rij de stoep op, tegen een Amsterdammertje aan.
Ik wil naar huis. Naar puberzoon die op de bank About a Boy van Nick Hornby voor zijn Engelse lijst leest en naar puberdochter die haar kledingkast uitmest omdat ze in de vakantie met vriendin en kleedgeld gaat winkelen. Ik wil de afwasmachine uitruimen. Knakworsten opwarmen voor de lunch. En morgen naar Jochem Myjer.

Op tv

‘Ik slik antidepressiva’, hoorde ik mezelf op AT5, de Amsterdamse stadszender, zeggen. Dat zat zo:
Het programma ‘Straten van Amsterdam’ zocht mensen die mee wilden werken aan een item over de straat waarin ik woon. Ik dacht, ik promoot mijn blog, onze wijkkrant en ga zeuren dat er hier nog steeds geen supermarkt is. Dat is allemaal gelukt. Ook al hield de presentatrice de microfoon te dicht bij mijn mond (Waarom zei ik niks?), kwam ze niet geïnteresseerd over (Waarom zei ik weer niks?) en liepen Mokum en ik onnodig met de crew mee naar mensen verderop in de straat die ook werden geïnterviewd om de achtergrond op te leuken (Waarom deed ik dat?).
Zo zit het ook:
Eenmaal op televisie bleek ik best mezelf. Alhoewel het de vraag is of je wel jezelf bent als je antidepressiva neemt. Maar daarover een andere keer. Ook in het fragment waarin ik vertel dat ik die pillen slik en waarom het zoveel makkelijker is daarover te schrijven dan erover te praten, zie ik iemand die ik ken. Mensen zeiden, appten en merkten op: Meisje toch, wat doe je dat goed. Geweldig. Wat tof. Je kunt trots zijn op jezelf dat je dit hebt gedaan.
Mooie woorden. Maar het meest bemoedigend waren de reacties van puberdochter: ‘Mam, er kijkt helemaal niemand naar AT5.’ En puberzoon: ‘Zeker een heleboel nieuwe volgers op je blog gekregen na de uitzending.’
Dus als je wilt:
https://www.at5.nl/artikelen/e27840/amstelvlietstraat

Heen en terug

Zodra ze de straat uitfietst, zit de wind tegen. Op de fietsbrug over het kanaal is de lichtste versnelling niet licht genoeg. Een hardloper haalt haar in. Op de brug over de rivier laten rukwinden haar stilstaan. Aan de lange rechte weg richting het congrescentrum komt geen einde. Ze trekt haar schouders nog krommer.
Vlakbij het station begint het te hagelen. Ze schuilt onder een viaduct, bussen denderen over haar heen. Witte steentjes ketsen op het beton. Als de hagel ophoudt, fietst ze verder, langs het stadion waar het fietspad is afgezet. Een grote geknakte tak achter wapperend rood-wit lint. Een scooter haalt haar rakelings in. Nog steeds tegenwind. Over de sluis ploetert ze, langs de haven, onder de ringweg door. Uitpuffen als het stoplicht net op rood springt. Nog één keer linksaf. Dan is ze er.
De fiets op slot, het zieke huis in. De draaideur door, die weeë geur, die ingehouden stemmen, die bedompte sfeer en altijd weer die vrouwen met vakkundig geknoopte sjaals rond hun hoofd.
Een smetteloze man, zijn haar net zo wit als zijn kleding, roept haar naam. En doet de deur van de kleedkamer van het slot. Of ze haar bovenkleding uit wil doen. Draaien, duwen en doordrukken. En nog een keer. Draaien, duwen, doordrukken. De witte broeder kijkt op zijn schermen, de foto’s zijn gelukt zegt hij.
Zonder dat ze het merkt, kleedt ze zich weer aan. De deur van het kleedhokje blijkt niet op slot. In de hal ruikt het naar verse koffiebonen. Met de klok mee gaat de draaideur nu. Haar haar in haar gezicht. De fiets weer op. In de berm naast de trambaan bloeit een bedje narcissen. Het licht gaat net op oranje, dat haalt ze wel. De wind, opgehoopt in het viaduct, stuwt haar voort. Bomen langs de tennisbanen buigen met haar mee. Frisse regendruppels vallen op haar handen als ze de tunnel uitrijdt. Op de kruising bij de rechtbank geeft een taxi haar voorrang. In het park zwiepen de takken van verwachting. De wind blijft maar meewaaien. Zonder te trappen vliegt ze het ophaalbruggetje op. Nog één bocht, dan is ze er. Volgende week weer heen, voor de uitslag. En terug.

Natte onderbroek

Tim Fransen, cabaretier en filosoof, is naar de apotheek gegaan en heeft een stapel folders met kwalen uit het rek gehaald. Als ik bij hem in het theater zit, haalt hij ze tevoorschijn. De eerste flyer gaat over ongewenst urineverlies. Eén op de vier vrouwen boven de 35 en één op de acht mannen heeft daar last van. Er zitten ongeveer 500 mensen in de zaal, gezien de jonge gemiddelde leeftijd, zouden dat dan, berekent Tim, zo’n vijftig mensen zijn.
‘Wie o wie?’ vraagt hij en wappert met de folder in de lucht. Eén vrouw steekt voorzichtig haar hand op, het is te donker om te zien wie het is. Ik krijg het benauwd. Begin te schuifelen op mijn stoel.
De tweede folder gaat over aambeien en andere anale klachten, ook hier weer Tims vraag: ‘Wie?’ Volgens de statistieken kampt één op de vijf Nederlanders ermee en dan vooral mensen boven de vijftig. Daarvan zitten er tientallen in de zaal, maar wederom steekt maar één vrouw haar hand op en nee het is niet diegene met de natte onderbroek. Tim zegt dat hij beide vrouwen erg dapper vindt. En ik krijg buikpijn omdat ik grappen schrijf over dappere mensen, maar zelf niet dapper durf te zijn, omdat ik bang ben dat mensen anders grappen over mij maken.
Inmiddels hangt er boven de zaal een loodzware deken, of in ieder geval boven stoel 16 rij 9. Daar zit ik. En ja hoor, de volgende folder gaat over antidepressiva, maar liefst 1 miljoen Nederlanders slikken elke dag pillen om zich beter te voelen, maar in de Kleine Komedie voelt iedereen zich prima van zichzelf. Er gaat geen enkele hand omhoog. Tim houdt nog een filosofische verhandeling over verhullen en dat dat mens eigen is, maar mijn hart bonkt te hard om dat allemaal op te nemen.
Op de fiets terug, de nacht is koud en helder en de Amstel schijnt blauw op, vraag ik mij de dingen af. Waarom heb ik mijn hand niet opgestoken? Heb ik spijt? Waarom durf ik niet hardop zeggen, dat ik pillen nodig heb om te kunnen functioneren? Ik ben niet gek, ik schaam me. Terwijl ik van één ding heilig overtuigd ben, zoals schrijver Andrew Solomon zegt: ‘When we are ashamed, we can’t tell our stories. And stories are the foundation of our identity.’
Een paar dagen later zit ik met mijn moeder bij Loetje biefstuk met een plas boterjus te eten. Ze is blij dat ik de laatste tijd zo goed in mijn vel zit.
‘Als ik je bel’, zegt ze, ‘kan ik aan je stem horen, hoe het met je gaat.’
‘Wat hoor je dan?’
‘Ja, sinds je die pillen slikt, slis je veel meer.’
‘Sllliisssttt? Zoiets?’
Ze lacht. Ik lach harder. Samen lachen we om het hardst. En verslikken ons tijdens het eten in geslis. Van een normaal gesprek is geen sprake meer. Eenmaal thuis staat de app vol met sllliisssttt-geluidsfragmenten. En krijg ik ook nog een natte onderbroek.