Op-slot-boek 2020-2 Pachtboerderij

Elke dag kijk ik op Funda, op zoek naar, ja naar wat eigenlijk? Gisteren zag ik de pachtboerderij van mijn opa langskomen. Het huis in Blijham waar mijn vader van zijn 7e tot zijn 16e jaar heeft gewoond en waar mijn liefste tante is geboren. Behalve een hoop vergane glorie met nog meer grond eromheen, zag ik mijn vaders jeugd op de foto’s en hoorde ik hem weer vertellen: ‘Uit school rotzooide ik vaak wat aan op de boerderij. Ik had een paardenstal helemaal afgegaasd en daarin hield ik hele mooie sier- en postduiven. Daar besteedde ik veel tijd aan, maar op een nacht is er een kat naar binnen gegaan… aal koppen er oaf. Alle duiven lagen dood in het hok en de kat zat er nog in. Wat was ik kwaad. Ik de buurjongen van Dijkema roepen. Hij was een paar jaar ouder dan ik en had een windbuks… Nee, ik hoefde ook geen nieuwe duiven. Het was in één keer klaar.’
In klas 4E van tienerdochter zijn 9 covid-besmettingen, dus ze had een hele week thuisonderwijs om nog meer besmettingen te voorkomen. Ik dacht nog, maar zij heeft het toch al gehad? Hoe groot is de kans dat ze het weer krijgt en dus anderen kan besmetten? Maar à la. Weer een hele week binnen zitten, niet goed voor haar en ook niet voor mij. Gelukkig kon ze gisteravond weer naar het hockeyveld, gestoken in haar nieuwe uitshirt met achternaam en een grote 10. Huppelend, voor zover vijftienjarigen dat nog doen, kwam ze terug van de training en stortte zich op de bloemkool. Zij blij, ik blij.
Carré meldde per email dat het ingewikkelde theaterstuk met installaties waar man E en ik heen zouden, over twee weken alsnog doorgaat. Tijdens een fijne boswandeling wees moeder A mij op een goede recensie over het stuk. In de laatste regel staat dat Don’t loose yourself de boodschap is die je meekrijgt. Vierenhalve ster. Dikke 25 euro.
Tot slot, een Groningse mop die ik gisteren van de man van nicht M kreeg:
Hai: Wel denkst dat gait winnen, Trump of dei ander?
Zai: Ik denk Biden.
Hai: Baidn? Dat kin toch nait?

Op-slot-boek 2020-1 Vijftig kerstlampjes

Tegen beter weten in had ik toch maar kaartjes gekocht voor de voorstelling Blindness, een theaterstuk waarbij je iets ingewikkelds met beeld, geluid en effecten kunt beleven. Dat je daarbij met zijn dertigen op het podium van Carré mocht zitten, sprak mij wel aan. Maar helaas, Rutte kwam met een tijdelijke verzwaring van de gedeeltelijke lockdown.
Vanochtend, ik net uitgeborsteld, tienerzoon met de borstel op ‘Klaar? Af!’, hadden we het over de Amerikaanse verkiezingen, waarover beide tieners zich overigens opwinden. Wat op zich weer het enige positieve van heel die verkiezingen is. Maar goed. Tienerzoon vertelde dat vriend R die half Amerikaans is, dit jaar was tegengewerkt om te gaan stemmen. Zijn vader en hij, nu hij 18 is, hadden lang voor 3 november een email moeten krijgen met daarin de mogelijkheid om per post te stemmen en hoe dat dan moet als je als American citizen abroad woont. Deze email kwam elke vier jaar ruim op tijd, maar dit jaar niks geen post. Ik maakte gelijk het bruggetje naar Trump die, zo had ik gelezen, een nieuwe baas voor de US Postal Services had voorgedragen. Het bleek een Republikeinse topdonateur te zijn (ruim 2 miljoen dollar sinds 2016). Ook brievenbussen waren sinds deze zomer op miraculeuze wijze verdwenen. Maar ja, dat gebeurt hier ook. Komt bij dat ik geprogrammeerd ben om Democraten nieuws te verwelkomen en me aan Trump nieuws te ergeren. Bovendien, papieren post is natuurlijk geen email.
De zon scheen, maar ik trok toch mijn peperdure stevels aan die ik met erfenisgeld had gekocht om hond M uit te laten. Ze liepen heerlijk en ik dacht veel aan mijn vader.
Aan het einde van de dag versierde ik het boompje in ons geveltuintje met 50 kerstlampjes. De timer laat ze branden van half vijf tot half elf. Ik vroeg me af of dit een teken van optimistisch doorzetten of van zielig aandacht vragen was.
Tot slot voor vandaag, het lettertype dat ik gebruik heet Georgia, op dit moment nog een staat in twijfel. Zelf ben ik in een staat van twijfel of ik aan een ander lettertype kan wennen.

CQ 2020, dag 13 gaat over tijd

Voorwoord
Het woord eigenlijk gebruik ik naar mijn smaak te vaak en toch heb ik het nodig. Daniël Lohues legt dat vandaag in het Dagblad van het Noorden haarfijn uit. Zijn moeder zei altijd dat je eigenlijk het woord eigenlijk niet moet gebruiken. Eigenlijk noemt Lohues, zonder dat het een Drents woord is, ook wel weer heerlijk Drents. Gronings vul ik hier even aan. Niet helemaal precies zeggen wat je bedoelt, maar toch.

Ik hoor het de mensen nu al zeggen: ‘Nou, die dagen in thuisquarantaine, dat viel achteraf allemaal toch best mee?’ Dat ene woord, achteraf, dat is precies het probleem. Achteraf valt altijd alles mee. Dat geldt overigens ook voor vooraf. Voor en na heb je gewoon makkelijk praten, dan zit je er tenminste niet middenin. Leven in het nu, bah. Geef mij maar voorpret. En napret.
Femke van der Laan, de weduwe van Eberhard, heeft een column in het Parool die ik altijd nijdig lees. Doe het dan niet, zou je zeggen, maar dat gaat niet. Ze schrijft voornamelijk korte zinnetjes, dat vind ik stom. Ze heeft die column alleen maar omdat ze de vrouw van was, dat is nog stommer. Maar het stomst is natuurlijk mijn afgunst. Vandaag begint haar stukje zo:
Ik moet binnenblijven. Tien dagen. Voor de zekerheid. Het is nog maar dag vier. Ik zit in de vensterbank te kijken naar…
Het is allemaal te stom voor woorden.
Vlak voordat ik gisteravond naar bed ging, overviel me een plens vaderverdriet. Ik hoefde alleen maar even naar de amaryllis te kijken die op punt van uitkomen staat en bam. Man E troostte warm. Tienerzoon gaf me de zegelring die hij van zijn opa kreeg te leen en tienerdochter zette een kop rooibos voor me. Dat hielp allemaal niks, in het midden van het verdriet. Achteraf hielp het alles. Ik bedoel maar.
13 kilometer rende ik vandaag maar liefst. Tienerzoon- en dochter renden aanzienlijk minder, maar wel veel harder over het voetbal- en hockeyveld. Na afloop stopte ik twee Ajax shirts in de wasmachine. Volgende week komt mijn FC Groningen shirt, waar ik bijna 3 maanden op heb gewacht. Ik verheug me erop ze gedrieën aan de waslijn te hangen, nummer 10 in het midden.
Woorden van de dag die de spellingscontrole niet kent, maar WF blijkbaar wel: grout, quena en bei, met dank aan neef J.
Woord van de dag met betekenis: toges met dank aan vriendin Y.

Nawoord
Of zoals man E het noemt nabrander, een woord dat eigenlijk te wanstaltig is om niet te gebruiken. Morgen ga ik van de flexibele quarantaine zoals ex R het raak omschreef, over in de gedeeltelijke lockdown. Ik ben benieuwd wat dat betekent voor dit dagboek.

CQ 2020, dag 12 gaat over het geweten

Ergens is er iets misgegaan met tellen. Want vandaag is de een na laatste dag van de thuisquarantaine. Dan is het tien dagen geleden dat tienerdochter klachtenvrij was en heeft covid bij ons dus nauwelijks – gekruiste vingers – huisgehouden. Al die tijd komen schoonmakers L en E niet meer bij ons thuis en maak ik zelf het huis, of althans een deel ervan, schoon. Ik was vergeten dat dat best een bevredigend gevoel geeft. Maar die tevredenheid is slechts de helft van het verhaal. Die andere 50% is een kwestie van te beroerd zijn om het elke week zelf te doen. Ook al heb ik tijd genoeg. Dat levert dan weer opspelend geweten op en zo hou ik mezelf lekker bezig.
’s Middags haalde ik met de fiets de kettlebell op. Ik kwam in een stukje Amsterdam waar ik nog nooit was geweest, ineens stond er een paard in een weilandje naast de Schinkel (een kleine gekanaliseerde rivier leerde ik op Wikipedia) en fietste ik tot mijn grote genoegen door het Spijttellaantje. Toen bleek dat ik één L te weinig had gelezen, viel het toch een beetje tegen.
Op de terugweg reed ik een tijdje tegen het verkeer in en op de stoep, gewoon omdat mij dat beter uitkwam. Ik passeerde toch zeker vier verboden-te-fietsen borden en nog meer stoepsjablonen van kinderwagens en spelende kinderen. En toch gewoon stug doorfietsen, ook al voelde ik het knagen. Wat is dat toch? Een idee van ‘moet kunnen’? Als andere mensen precies hetzelfde doen, word ik boos. Sowieso was mijn geweten de hele fietstocht flink aanwezig; ik zat toch in thuisquarantaine, wat deed ik daar op die fiets?
Met een plakkerige rug kwam ik thuis. Dat kwam vooral van die 8 kilo ballast in mijn fietskrat. Kon ik mij wel mooi beperken tot het zoeken van kettlebell-oefeningen op internet. Dat mocht zowaar van mijn geweten.
Woord van de dag: Spijtelaantje, ook al is het een verzinsel.
Niemand heeft klachten, hond M gelukkig ook niet meer.

CQ 2020, dag 11 heeft niet echt een thema

Met dank aan vriendin B een mooi interview gelezen met Karl Ove Knausgård: ‘Juist als het stom en belachelijk voelt, begeef je je op onbeschermd, onveilig terrein. En dat is precies waar je met schrijven moet komen.’ Vooruit dan maar.
In de ochtend liep ik met hond M 5 kilometer op een behoorlijk snel tempo in het Amsterdamse Bos. Daarna deed ik nog wat anti-kipfilet oefeningen en dronken we samen water bij een van de fonteintjes. Het klimrek was bezet. Een gespierde twintiger, korte broek, bruine benen, strak sportshirt, trok zich moeiteloos op aan de bovenste sporten. Toen hij klaar was, rekte ik mezelf langdurig uit aan het rek. Dat komt zo, mijn okselkliertoilet zit mij na het sporten in de weg en als ik me zover mogelijk uitrek, zit het daar allemaal lekkerder. Mijn shirt kroop omhoog. De twintiger keek op zijn telefoon. Ik trok het shirt weer naar beneden om de vorm van mijn kont te verbloemen. Alsof zo’n knappe twintiger mij en m’n okselkliertoilet – ik vind dit zo’n mooi woord, ik moet het wel twee keer gebruiken – überhaupt zou nakijken.
Tijdens de lunch, midden in een telefoongesprek met moeder A, waarin het voornamelijk over corona, antidepressiva, staar, dermatologie, nierfalen en de dag die het vandaag ook twintig jaar later nu eenmaal is ging, begon hond M als een malloot te niezen. Omdat ze niet ophield liep ik halsoverkop naar de dierenarts een straat verderop. Spoedconsult.
€ 61,35 lichter. Precies de prijs van het kaartje voor de geannuleerde show van Danny Vera. Ik liet hond M, die stijf van de dierenarts-stress vergat te niezen, uit in het Watertorenpark achter ons huis. Terwijl zij de spanning van zich afschudde in het gras, vroeg ik mij af of ik dit corona technisch nou wel of niet had moeten doen.
Tienerdochter kwam thuis van de hockeyclub met een nieuw trainingspak. TRAINER stond er op de achterkant van het jack. Hoewel ik zelf nauwelijks weet wat ‘shoot’ is, vervulde mij dat met trots.
In een lege Johan Cruijff ArenA had de F-Side een prachtig spandoek opgehangen: 1 club 1 stad 1 vak. Het hielp niet. Ook zoiets in de dynamiek van een gezin met opgroeiende kinderen, het samen voetbal kijken is ineens passé. Man E keek vanaf zijn bureau met een scheef oog naar de wedstrijd en met een recht oog naar z’n deck over agile supercircles. Tienerdochter en ik zaten samen op de bank, tienerzoon zat boven, hij wilde alleen kijken. ‘Waarom?’ vroeg ik en man E antwoordde dat hij gewoon niet meer met zijn ouders tv wilde kijken. Weer iets om aan te wennen. Toen de wedstrijd was afgelopen en tienerzoon onder de douche stond, deed ik zijn slaapkamerraam wagenwijd open.
Woord van de dag: lijkt me duidelijk. En nog steeds geen klachten.