Popelen

Afgelopen weekend sprak ik op een feestje een ontwikkelingspsycholoog die geïnteresseerd was in nietoverpraten. Ik hoorde mezelf vertellen dat het volgende stukje over popelen zou gaan. Iemand had dat woord genoemd en het was blijven hangen. Dat moet je dus nooit doen, zeggen waar een volgend stukje over gaat. Dan zit je ermee en heb je geen idee.
Stond de dochter, net als de zoon nu ook een twintiger, te popelen om weer in Utrecht te gaan wonen? Stond ik te popelen dat ze nu echt – want geen onderhuur maar een eigen vaste kamer – het huis uit ging?
De eerste vraag kon ik niet eenduidig beantwoorden, ik denk dat het antwoord ja en nee was. De tweede was zeker een nee. Het was fijn geweest de afgelopen twee maanden dat ze weer in het nest woonde.
Als ik even ergens over mag schrijven – en ja dat mag – ik had ook een keer geroepen dat er een stukje over vangnest zou gaan. Het vangnest zou de opvolger zijn van het nest dat de kinderen hadden verlaten. Dat nest hadden ze niet meer nodig, maar man E en ik hadden nog wel een vangnet in de aanbieding. Was misschien best een mooi stukje geworden, maar helaas.
Terug naar toen de dochter nog in het nest woonde. Met heel veel koffie, schoteltjes met lekkers en verhalen, gedoe, geklets over the Dallas Cowboys Cheerleaders, de Stuurboord Bokaal, Down the Rabbit Hole, crispy chili olie, het Louis Hartlooper Complex (ik dacht nog even dat dat een zeldzame psychische afwijking was) en nog veel meer woorden waar ik zonder haar nooit van gehoord zou hebben.
Tuurlijk, man E en de zoon brachten ook de nodige reuring met zich mee. Maar met haar was het anders. Anders hoe? Ik wist het niet. Ik wist het wel. Het had alles te maken met mijn verlangen om ook moeder van een dochter te worden.
En nu was ze weg, haar eigen wereld weer in en keek ik naar het koffiekopje van DeLaMar dat ze me had gegeven toen ze daar nog werkte omdat ze wist wat een sucker ik voor de zogeheten betere kringen ben. Het kopje staat op het bureau van voorheen opa B en papa. Man E heeft het gedemonteerd, geschuurd, geolied, gelakt, ge-elektraad, geplakt, geschroefd en gerepareerd en nu schrijf ik er m’n eerste stukje aan. Het volgende gaat denk ik over ontmantelen: of je als mantelzorger ook kunt stoppen met zorgen voor en over. Ik kan niet wachten.

Recyclen

Mijn eigen nest mocht dan wel leeg zijn, dat hoefde natuurlijk niet te betekenen dat anderen er geen konden bouwen. Dus haalde ik het grote stenen ei met gaten dat ik ooit bij de Welkoop in Dronten had gekocht tevoorschijn. Ik dacht nog even dat ik me had vergist en het een waterbakje voor vogels was, maar daarvoor zaten er te veel gaten in. Op verkeerde plekken ook, bleek toen ik ’m toch even onder de kraan probeerde te vullen.
De gebruiksaanwijzing drukte mijn eigenwijsheid de kop in, het ging hier om een Fiësta Nester, ‘de ideale plek voor vogels om materiaal voor hun nestje te vergaren.’ Het enige wat ik hoefde te doen was er nestmateriaal in stoppen. Ik ging op zoek naar het perfecte spul. Niks geen puntige takjes en prikkende blaadjes, lekker warm en pluizig moest het zijn. Dons? Wol?
Ha, de zachte vacht van hond M natuurlijk. Ik kamde en borstelde haar, trok de plukken haar uit de hondenverzorgingsbenodigheden en propte het in het ei. Het duurde maar even of daar kwam de eerste koolmees al aangefladderd. Hij of zij pikte in de gaten in het ei en vloog met een bekje vol vacht naar het nest in aanbouw. Af en aan ging het, met z’n tweeën nu. Allebei vlogen ze met een wolk van vacht, zowat nog groter dan hun lijfje, heen en neer.
Zeer met mezelf ingenomen zat ik ernaar te kijken. Dat was pas natuur! Dat was pas recyclen! Kon ik mooi weer een vlucht boeken.
Maar eerst dit stukje schrijven. Daarvoor kamde ik het internet nog even af op zoek naar meer info over mezennestmateriaal. Al gauw kwam ik op de site van de vogelbescherming terecht waar ik van alles las over dingen die je in zo’n ei kunt stoppen. En ook dingen die je er vooral niet moet instoppen zoals ‘haren van huisdieren die zijn behandeld met anti-vlooien- of -tekenmiddel.’ Oeps. Onderzoek naar doodsoorzaken van koolmezen had uitgewezen dat restanten van onder andere hondenharen ‘veelvuldig gevonden waren in de onderzochte mezen’. Bespoten haren kwamen met regelmaat in nesten terecht en drongen door de huid van de jonge meesjes.
Was ik zo-even nog de barmhartige Samaritaan, nu was ik de bruut verantwoordelijk voor het lege nest syndroom van twee koolmezen.

Tegenwoordig

Facebook had uitgeknobbeld dat ik deze week, vijftien jaar geleden, geopereerd was in het Antoni van Leeuwenhoek. Moest dat gevierd? Bleek hieruit dat ik al zolang mijn tijd verdeed op social media? Watwatwat moest ik met deze reminder?
Op de foto waarmee het platform mij terugbracht naar 2010 zat ik op de grond in de slaapkamer van de kinderen. De zoon (7 jaar) op schoot, z’n beentjes aan weerszijden van mijn heupen, z’n hoofd wat afgedraaid naar links, z’n blik wat afwezig. De dochter (van 4) met haar buikje tegen haar broertje aan, haar armpjes om ons beide heen en haar lippen op mijn wang. Zelf had ik een kaal hoofd en terneergeslagen ogen. Besefte ik toen al dat kinderen hun ouders niet behoren te troosten maar andersom? Eh, nee. Ik was alleen met mezelf bezig. Zie hier de kiem van allerlei ellende.
De bedoeling is dat je als kind bezig bent met jezelf. En als ouder met je kind. Dat heet dan opvoeding denk ik, en als ze het huis uit zijn is dat klaar denk je. Maar dat blijft zo!
Maar soms ook niet. Blijken ze ineens gelijkwaardig te zijn, met rijbewijzen, vergevorderde kookkunsten, piercings, bachelorsminorsmasters en compleet eigen levens op de koop toe.
Tijdens het etentje afgelopen weekend, ter meerdere eer en glorie van ons 12,5-jarige huwelijk, zaten we met z’n vieren bij een sjieke Italiaan in de Jordaan. Iedereen nam het wijnarrangement en man E legde de boel beter uit dan de sommelier. We aten echt lekker, maar wel wat ingewikkeld, de wijn was, ja wat was de wijn, de gesprekken waren waarachtig. De zoon nodigde de dochter uit om een keer mee te gaan naar z’n roeivereniging, de dochter vroeg wanneer hij bij haar in Utrecht kwam, man E dronk de wijn op die de kinderen niet lekker vonden en ik was jaloers op de broer-zus-band.
We fietsten naar het ouderlijk huis en ik keek tegen de leren ruggen van de zoon en de dochter aan. Het leer van de zoon was van z’n vader geweest. Voor de kenners: gekocht bij Zaal, Oude Ebbinge, Groningen. Leuk detail: ze hadden toen een actie als je één leren jas kocht, kon je er nog één voor vijfentwintig gulden of zo bij kopen, dat deed ik en die heeft de dochter nu ’s zomers aan.
Eenmaal thuis werd ik overvrouwd door emoties van waar is de tijd toch gebleven en wat vliegt ie en hij heelt ook nog alle wonden en kwamen beide kinderen bij me zitten. De zoon op m’n schoot, de dochter met haar lippen op m’n wang. Dit laatste is helemaal niet waar, veel te dik aangezet en ook nog geforceerd lollig. Maar dat kan tegenwoordig allemaal prima.

Broer, zus, kaarsje, hartje

Dat heerlijke gevoel als je ’s ochtends wakker wordt en denkt wat is er ook weer voor fijns gebeurd, hield na de Klassieker nog een tijdje aan. En langer dan ik had gehoopt, tot lang na de ook nog overwinning op het tot dan toe ongeslagen clubje uit de lichtstad. De branie en de grote bek waren weer terug. Hoera. Maar genoeg daarover.
Ik schreef al eerder over hoe de relatie met de zoon en de dochter opnieuw vorm te geven, maar wat ook gaande is: de relatie tussen de zoon en de dochter zien veranderen nu ze allebei het huis uit zijn. Zo ging de dochter gisteren bij de zoon eten. Hij heeft de pannen, zij de skills. Dus terwijl man E en ik samen aan een heerlijke pasta met spinazie, dat moet gezegd, zaten, had ik toch liever 100 meter verderop in een studio op de derde verdieping gezeten. Oh, wat had ik er veel voor over gehad om doodstil in een hoekje te zitten en alles af te luisteren. Zien hoefde niet eens.
Waar hadden ze het over? Verliefd, drugs, drank, vrienden, over man E, over mij, en alles wat ik verder niet begreep? Maar ja, het ging mij natuurlijk allemaal weer eens helemaal niks aan. Hoe kon ik ervoor zorgen dat het mij wel aanging? Ik zou de zieligheidskaart kunnen spelen, dat ik nooit zo’n relatie met m’n eigen broer had gehad. Of dat ik ineens een werkstuk moest schrijven voor een studie die ik plotseling was begonnen over de verhouding broer-zus in de eerste maanden nadat ze het huis uit waren. Of dat ik info nodig had voor een stukje…
Toen de dochter terugkwam omdat ze hier nog een nachtje bleef slapen zei ze: ‘Ja, was leuk.’ Toen de zoon even langskwam om iets klusserigs op te halen zei hij: ‘Ja, was leuk.’
Gelukkig was daar Instagram. De dochter had een foto van het etentje bij haar broer gepost en de zoon repostte het verhaal van z’n zus. Ik zag kaarsjes, hartjes en het servies wat man E en ik in een ver verleden samen hadden gekocht.

Buik vol

Oké. Dus er moest een nieuwe manier worden gevonden om de relatie met twee uit huis wonende kinderen vorm te geven. Dat kon natuurlijk van alles zijn, maar ik hou niet van koken, man E en ik hadden net de financiën doorgenomen (niks mis mee), hij was zelf ook uit eten met een vriend en waarom moest ik me sowieso verantwoorden?
De dochter had er al eens afgesproken om haar baas te vertellen dat ze ontslag wilde nemen. De zoon was er geweest toen hij voor het eerst z’n dispuut ontmoette. Ik vond Hesp gewoon een fijn bruin café.
Dus daar zaten we met z’n drieën in de iets van 120 jaar oude uitspanning aan de Amstel. Hond M was ook mee, omdat ik vond dat ze wel wat meer horeca-ervaring kon gebruiken. In mijn fantasie lag ze lekker onder de tafel. In het echt stond ze in de loop.
Er was saté en brood en gnocchi en parelgort en gesprekken over ADE, Halloween huisfeesten, Rijk Hofman die iets had met Love of Temptation Island of The Bachelor (ik ben hier echt te oud voor helaas). Het ging over compo-, club-, topc4- en wedstrijdroeien (nog steeds te oud, maar niet te beroerd om de betekenis van compo en topc4 op te zoeken op de sites van Orca en Skøll, de gezelligste roeiverenigingen van Utrecht en Amsterdam: competitie en beste competitie in een boot voor vier personen). Maar belangrijker, legden de zoon en de dochter uit, het ging om de verhouding roeien-bier. Van compo – veel bier niet roeien – tot wedstrijd – geen bier altijd roeien.
Ineens zei de dochter tegen haar broer: ‘Kijk, we krabben op hetzelfde moment op dezelfde manier aan onze pols.’
Ik zag het niet, maar zat ineens vol van de gedachte: die twee hebben allebei in m’n buik gezeten.
Toen we weer naar huis liepen en de zoon rechtdoor ging omdat dat zijn kortste weg was en de dochter en ik rechtsaf sloegen, vond ik dat niet eens vreemd. Hond M had er wel problemen mee dat de roedel niet meer compleet was. Ze piepte een paar minuten en keek om en om en om. Ondertussen luisterde ik naar de dochter die vertelde hoe leuk het wel niet was om in een studentenhuis te wonen.